Posts Tagged ‘review’

Recensie: The High Strung – Ode To The Inverse Of The Dude

juni 20, 2009

thehighstrung_odeThe High Strung uit Detroit heeft al een lange muzikale weg bewandeld. Hun debuutalbum ‘These Are Good Times’ was een rommelige, luide en af en toe onaangename maar tegelijkertijd coole luisterervaring. Het leek wel of de essentie van de rebelse tiener garagerock geest op een plaat was samengepakt. Het destijdse viertal verloor een bandlid en had als trio wat moeite om hun veel slappere opvolger ‘Moxie Bravo’ de deur uit te krijgen. Gelukkig kwamen de drie terecht bij het bluesy, hippie labeltje Park The Van Records. De derde schijf ‘Get The Guests’ was het ook niet helemaal, hoewel al veel beter, maar op deze nieuwe plaat blijkt The High Strung zich eindelijk volledig hervonden te hebben.

Dat is mede te danken aan de sturende inspanningen van de producer. ‘Ode To The Inverse Of The Dude’ werd net buiten Toronto opgenomen met hete knoppen wizard David Newfield (Broken Social Scene, Los Campesinos!, Super Furry Animals). ‘Ode’ combineert dromerige geluiden en (de psyche onder)zoekende teksten met de grootsheid van een rockband, al zijn de rockinvloeden nu wat verder naar de achtergrond geschoven om hun wonderschone folkpop zijde wat meer te tonen. Het ene moment klinken er gepolijste, sprankelende en zonnige alt.pop songs, het andere moment lievige, lo-fi popliedjes (als ‘Anyone’).

Gitarist/zanger Josh Malerman heeft een paar van zijn meest persoonlijke songs geschreven (check ‘I Got Your Back’ en ‘Rope’), in ‘Out Of Character’, in ‘Guilt Is How I’m Built’ waart de oude Motown soul rond en er wordt afgesloten met een all over the place soort van eclectisch instrumentaaltje in de vorm van ‘House Party’. Maar niet alleen Malerman is qua songwriten goed bezig, de ritme sectie (Chad Stocker en Derek Berk) demonstreert hoe een drum en bas duo het pittig en groovy moet houden zonder opgefokt of haastig aan te horen. De eerlijke levendige emoties, de zweetdruppels en de tranen van geluk die het maken van ‘Ode’ ongetwijfeld gekost hebben zijn voelbaar in de nummers.

De liedjes komen nonchalant over, maar zijn uitgedachte, pure en melodieuze songstructuren. De uitbundige blijheid die de Flaming Lips ook tentoonspreidt komt het duidelijkst naar voren in hoogtepunt ‘Standing At The Door Of Self Discovery’, de hoekige gitaarlijnen met psychedelische intermezzos doen denken aan Built To Spill en de harmonieuze samenzang van de drie zou Teenage Fanclub aardig jaloers maken.

Omdat het zo mooi samensmelt, door de warme sound en onderliggende tederheid in elke compact gehouden track (geen een gaat over de 3 minuut 30) en dat toegankelijke kan ‘Ode’ zo maar aan je oren voorbij trekken. Maar dat zou niet eerlijk zijn, om dit album af te doen als een vrolijk niemandalletje, want The High Strung verdient simpelweg de aandacht. Het is hun meest uitgebreide en experimentele album tot nu toe en zet zelfs hun twee voorgaande platen in een ander daglicht. Ineens vat je de aanloop naar ‘Ode’ en waardeer je die ook veel meer. Een tof plaatje voor liefhebbers van T. Rex, Guided By Voices en bovenal Of Montreal.

SPINNER SCORE: 79/100
 

Advertenties

Recensie: Jack Beauregard – Everyone Is Having Fun

mei 23, 2009

jackbeauregard_everonehskNet als de onlangs besproken The Late Call zit dit Nederlands-Duitse duo in de stal van Tapete Records, dus dan weet je op voorhand al dat de muziek in de intieme in plaats van macho hoek zit.

Jack Beauregard is het tweetal Daniel Schaub (zang, gitaar) en Pär Lammers (keys, electronica). De een komt uit Keulen, de ander uit Hamburg, maar ze vonden elkaar op het conservatorium in Amsterdam. (CvA).

Waarom ze zich vernoemden naar een oude western held is niet duidelijk; Jack Beauregard schiet niet met scherp, eerder met softe kogels. Want op hun debuutplaat ‘Everyone Is Having Fun’ staan 12 dromerige en kleine liedjes die op het raakvlak tussen luchtige indie-pop en slimme, vloeiende electronica balanceren.

Er hangt een zweempje sixties, folk overheen. Nergens vliegen de songs uit de bocht, maar alleen sfeervol voortkabbelend doet het ook weer niet helemaal. Af en toe worden de beats en effecten ietsjes opgedraaid. Het zijn geen zwaar ingewikkelde nummers. Vergis je er echter niet in, er is veel aandacht besteed aan de zorgvuldig uitgevoerde, simpele, maar doeltreffende arrangementen en het open, kraakheldere geluid.

De hoogtepunten worden gevormd door het op een prachtige piano-riedel steunende met krautrock omwikkelde ‘Distance In Between’ en het licht dansbare ‘I Admit’. De akoestische en electronische stukken smelten prachtig en op een ogenschijnlijk natuurlijke, pure manier samen. De verhalende, wat sarcastisch-ironische teksten over ‘iedereen die plezier heeft’ worden gezongen met een prettig in het gehoor liggende, laidback melancholieke stem, waarin een beetje een mellow Grandaddy naar voren komt met licht snufje The Postal Service.

De nummers blijven na een paar draaibeurten boeiend en klinken soms bedrieglijk vrolijk, hoewel er onder de oppervlakte geen zonneschijn schuilt, maar hemelse, sussende melodieën. Daardoor is Jack Beauregard misschien toch wat te melancholisch en rustig voor de grote massa en juist weer te weinig wild electronisch om op die momentele golf hipsters mee te varen. Maar dat neemt niet weg dat ze een interessante, knappe debuutplaat hebben gemaakt, die zeker door velen gehoord mag worden.

Download de titeltrack ‘Everyone Is Having Fun’ via de labelsite.

SPINNER SCORE: 76/100

Recensie: De Rosa – Prevention

april 1, 2009

‘Prevention’ is de tweede schijf van deze indierock band uit Bellshill, Schotland en opvolger van het heel aardige ‘Mend’ uit 2006. De liefhebbers die ze met hun debuut aantrokken zullen na een eerste draaibeurt een beetje ontgoocheld zijn, om daarna het album vast en zeker steeds meer te omarmen. Want de ‘veranderingen’ zijn heel even schrikken, maar vallen daarna prima op zijn plek.

De opliftende zang met accent van snarenplukker en songwriter Martin Henry Johnson staat nog steeds centraal in de sterk gearrangeerde, eerlijke gitaargeoriënteerde rocksongs, maar De Rosa heeft er ditmaal electronica doorheen geweven. Dat is echter zo subtiel en vindingrijk gedaan, dat het de nummers kracht bijzet en een verdieping meegeeft. Het zorgt voor een avontuurlijk geluid waarin voor de oplettende luisteraar vanalles te ontdekken valt.

Het tempo is op ‘Prevention’ ook wat naar beneden geschroefd. Het gaat van kalme, rustgevende popliedjes zoals ‘It Helps To See You Hurt’ met een mooi achtergrondkoortje en ‘Pest’ met een tokkelend gitaarriffje tot af en toe een aardige folky rockuitspatting, immer met een theatrale vibe. Soms wordt dat ook samengepakt, als in ‘Love Economy’ (over de huidige economische situatie), dat ingetogen begint en uitmondt in een meeslepend nummer met intrigerende geluidseffecten. Of het melancholieke ‘Under The Stairs’, dat opbouwt naar een spetterend einde.

Maar ook een walsje wordt niet geschuwd (‘Stillness’) en Fleet Foxes waren rond in ‘Swell’. Er hangt over het hele album een soort constante dreiging, die vaak op de achtergrond blijft, maar zich soms naar de voorgrond wringt. Kortom, een gevarieerd plaatje dit (overigens wederom geproduceerd door ‘Mend’-man Andy Miller).

Ondanks de ietwat nieuwe sound houdt De Rosa het toch consistent. Het is alleen jammer dat Johnson ook in elk nummer een boodschap kwijt wil. Dat neem wat van de prettige energie en drive uit de nummers op ‘Prevention’ weg. Voor sommigen, die de diepgang niet opzoeken, zal het overkomen als gezeur. Al met al is het een flinke stap vooruit voor De Rosa, niet teveel experiment, maar goede aanvullingen en uitstapjes. Tis alleen ff wennen.

SPINNER SCORE: 76/100

Recensie: Pan•American – White Bird Release

maart 29, 2009

‘White Bird Release’ is de zesde schijf van Pan•American sinds Mark Nelson (tevens bandlid van drone/ambient collectief Labradford) in 1997 begon met dit experimentele, electronische eenmansproject.

De meeste fans zaten smachtend te wachten op de opvolger van het werkelijk prachtige album ‘Quiet City’ (2004). Met ‘White Bird Release’ keert de ambientgoeroe uit Chicago gelukkig weer terug naar het warme nest van Kranky, na een uitstapje gemaakt te hebben naar een Oostenrijks label met het minder hoog gewaardeerde ‘For Waiting, For Chasing’ (2006, geïnspireerd door de zwangerschap van zijn vriendin) en de muziek gecomponeerd te hebben voor de film ‘Left Handed’.

Je hoort ook gewoon dat ‘ie eigenlijk meer een vervolg maakt op ‘Quiet City’. De electronica is wat verder naar achter geschoven ten bate van de schemerige sfeer die Nelson hier opzoekt. Dat zie je al aan de schitterende, met de muziek in balans zijnde, dromerige digipack waarin de schijf zit verpakt: onscherpe foto’s, alsof je je lenzen zeg maar niet in hebt gedaan. Verder is Pan•American weinig veranderd. Nog steeds kabbelen de vredige, uitgesponnen gitaarakkoorden, sobere echoënde en repeterende percussie-elementen, resonerende bas drones, minimale imploderende flarden noise en Nelson’s in je oor fluisterende vocalen voorbij.

Maar dat is ook precies wat wij liefhebbers willen horen. Want Nelson doet dat zo razend knap, die vele geluidslagen over elkaar heen draperen en vervlechten tot een sereen rustgevend, hoogpolig klanktapijtje en tegelijk helder en transparant blijven. De adembenemende geluiden versmelten zo vakkundig subtiel met elkaar, dat je amper in de gaten hebt wanneer er een volgende track begint. De eenheid nestelt zich in je gevoel en sleept je mee, maar de songs an sich zijn ook mini-schilderwerkjes.

De muziek is niet alleen wonderschoon, de tracktitels zijn dat eveneens en ze vertellen samen nog een verhaal ook. De benamingen vormen een deel van een brief die Dr. Robert Godard schreef aan H.G. Wells in 1932: “There Can Be No Thought Of Finishing For Aiming At The Stars Both Literally And Figuratively Is A Problem To Occupy Generations So That No Matter How Much Progress One Makes There Is Always The Thrill Of Just Beginning.”

De perfecte zaterdagnacht-na-het-stappen-plaat om volledig tot rust te komen. Of gewoon na het opstaan zondagochtend, om nog even in die halve droomstaat te blijven ronddolen. Pan•American biedt zijn gebruikelijke oase van kalmte waarin je wordt verwelkomd om oeverloos weg te dromen. En ow, wat vind ik dat prettig! Voor mijn drukke hoofd een soort kleine vakantie naar neverland waar alleen afmosferische, wiegende sounds leven aan een auditief zachtjes ruisende zee. Een plaat om comfortabel in weg te vluchten, als al dat geklets over de economie en de recessie je teveel wordt.

Mark Nelson heeft een eigen plekje in het drukbevolkte ambient-landschap: kijk omhoog en je ziet hem naast Fennez en achter de wolk van Stars of the Lid zitten. Voor Pan•American fanaten is ‘White Bird Release’ een geschenk uit de hemel. Free download: ‘So That No Matter’ (MP3).

SPINNER SCORE: 87/100

Recensie: The Decemberists – The Hazards Of Love

maart 28, 2009

De Amerikaanse indie folkpop band The Decemberists uit Portland bleven op hun voorgaande majordebuut en vierde – op een Japans volksverhaal gebaseerd concept – plaat ‘The Crane Wife’ (2007) gelukkig redelijk zichzelf, hoewel we in de vertrouwde, de geijkte paden vermijdende sound van de uitgestrekte nummers met ingewikkelde, literaire teksten veel meer progrock-invloeden waarnamen. ‘The Hazards Of Love’ (weer bij indie label Rough Trade) is een logisch en ambitieus vervolg, maar overstijgt die vorige schijf ook.

Frontman/gitarist en boekenwurm Colin Meloy schrijft eigenlijk geen songs maar vertelt uitgebreide verhalen. In dat kader is ‘The Hazards Of Love’ zijn ultieme hoogtepunt. Hij heeft naar eigen zeggen een rockopera gepend. Het is geen geheim dat Meloy er een diepgaande fascinatie op nahoudt voor de Britse folkscène uit de jaren ’60. Ook dit keer was het een inspiratiebron voor het songmateriaal. Hij struikelde ergens over het in 1966 verschenen EPeetje ‘The Hzards Of Love’ van de Britse folkartieste Anne Briggs en ontleende daar meteen de albumtitel aan.

Voor ‘The Hazards Of Love’ dus wederom een concept: 17 muzikale stukken die de affaire tussen de stadse Margaret en de bosbewoner William, en breder getrokken de troubles van de liefde centraal stellen. Laat die shuffleknop ongebruikt als je deze plaat in de speler legt (ze gaan ‘em ook alleen maar van voor naar achter live spelen). Je behoort het in één stevige zit te ondergaan vanaf de zachtjes openende ‘Prelude’ tot het warme slotakkoord van ‘The Hazards Of Love 4 (The Drowned)’. In een krap uur wordt je heen en weer geslingerd tussen flarden folk, indie en progrock (dat ’70s element is gebleven en ook verder aangedikt). Het ene moment wordt je meegezogen in (akoestische) verstilling, het de andere momenten in scheurende gitaren en lyrische uitbarstingen.

Meloy (William) kreeg vocale hulp van Becky Stark (Lavender Diamond, Margaret) en Share Worden (My Brightest Diamond, boze boskoningin), die beide een mooie en heldere goed gekozen aanvulling zijn. Ook Jim James van My Morning Jacket, Robyn Hitchcock en Rebecca Gates (Spinanes) geven de personages invulling. De minitieus uitgedachte arrangementen en melodieën zijn verrijkt met sfeervolle geluiden, van subtiel (warm orgeltje, pedalsteel met snik) en lief (kinderkoor, hemelse strijkers) naar luid (gierende Led Zeppelin riffs) en vreemd onheilspellend (krassende violen).

Producer Tucker Martine heeft er vast een flinke kluif aan gehad, echter heeft prima werk afgeleverd. Het kan ook snel far too much zijn hè. Maar het wordt geen moment eentonig of overdone. Dat is opgelost doordat nummers zonder tussenpauzes naadloos in elkaar overvloeien en thema’s telkens terugkeren. De titeltrack is bijvoorbeeld in vier afzonderlijke uitvoeringen te horen. Maar ook tekstfragmenten worden herhaald. Het voor The Decemberists weer wat hardere geluid is ook nergens té volgepropt. Er is ruimte gelaten om af en toe even adem te halen. Er is daarentegen niets echt catchy of kort gehouden, alles is vooral erg slepend. De cd vraagt nogal wat van de luisteraar.

‘The Hazards Of Love’ is het album waarvan we wisten dat The Decemberists die ergens in zich hadden. Een consistente, verhalende, volwassen, boeiende en originele plaat. Geen spul voor de Top 40, daar zijn de nummers opnieuw te lang voor en is de lading te zwaar. Meloy, je hebt geen rockopera gemaakt zoals Tommy, het is een folkprog rockopera! Het veelzijdige ‘The Hazards Of Love’ is de kroon op hun imposante oeuvre. Al denk ik wel dat de folkpop fans nu misschien af gaan haken…

SPINNER SCORE: 82/100

Recensie: DM Stith – Heavy Ghost

maart 25, 2009

Meestal zijn EP’s maar een opstapje naar het èchte werk om vast wat aandacht voor de bewuste artiest te genereren. Zijn zielenroersels waren niet bedoeld om z’n slaapkamer te verlaten, maar dankzij Shara Worden (My Brightest Diamond) gebeurde dat toch. De vijf songs op eerste wapenfeit ‘Curtain Speech’ (2008) van Amerikaanse songsmit, componist, muzikant en grafisch ontwerper D(avid) M(ichael) Stith en protegé van Sufjan Stevens – op wiens label de EP en dit album verscheen – maakten echter zo’n imposante indruk dat er meteen flink werd uitgekeken naar zijn eerste schijf. Ook wij maakten ons op voorhand schuldig aan het predikaat ‘nieuwe muzikale sensatie van 2009’. Maar we hadden wel gelijk.

DM Stith heeft een zeer eigenzinnige manier van musiceren. Elke song op ‘Heavy Ghost’ incorpureert in de basis gitaren, piano en percussie, maar niet zoals je gewend bent. De bovenaardse koren en Stith’s hoge, hemelse zang in de lijn van de groten Tim en Jeff Buckley, Damien Rice, Patrick Watson, Scott Matthews en in de echo ook Thom Yorke zijn tevens vaste waarden, doch hebben een dienende, sferische rol in het geheel en voeren eigenlijk nooit de boventoon.

Je raakt ongetwijfeld gefascineerd, omdat hij continu je fantasie weet te prikkelen. Stith heeft er geen moeite mee je zo her en der de stuipen op het lijf te jagen, te verwarren met verrassende wendingen of je te hypnotiseren met wonderschone, sprookjesachtige popsongs. Nergens is het voorspelbaar, maar gelukkig vervalt hij ook niet in te ongrijpbare kunstige stukken. De subtiele, onconventionele composities zijn wel complex, echter komen zo niet over. Het zijn vervreemdende, weelderige arrangementen gecombineerd met schitterende vaak gelaagde zanglijnen en fraaie melodieën. Stith maakt danig gebruik van ruimte in zijn muziek. Je krijgt het gevoel dat je ergens tussen droomstaat en de werkelijkheid in zweeft.

Een duidelijk vakje kunnen we Stith dus niet in proppen. Hij zwerft van stijl naar stijl. Flarden flamenco, gospel, klassieke muziek, blues, folk en electronica komen voorbij. Hij smeedt coherente collages van akoestische instrumenten, etherisch (koor)gezang en andere onheilspellende geluiden aan elkaar tot een vloeiend, intrigerend geheel. Na verloop van luisteren hoor je ook geen songs meer, maar onderneem je één lange psychedelische luistertrip.

Zo staat de werkelijk van de pathos overlopende pianoballade ‘BMB’ schouder aan schouder met arty wiegeliedjes met plukkende violen als ‘Pigs’ of ‘Braid of Voices’, het naar barokke operettes knipogende ‘Fire Of Birds’, het ergens halverwege groots openbarstende ‘Pity Dance’ en een melancholieke, ontroerende ‘Thanksgiving Moon’. Stith weet ook hoe je iets groots en meeslepend en tegelijk heel klein intiem kunt houden.

‘Heavy Ghost’ is verleidelijk, we worden gedwongen telkens opnieuw te luisteren en verdwalen er dan weer in. Met een debuut al een soort van eigen genre scheppen is verdomd lastig. Een diepgaande, kwalitatief hoogstaande popplaat maken die zo kunstig in elkaar steekt en toch nog steeds erg toegankelijk pop klinkt zonder pretentieus te zijn ook. Maar DM Stith doet het. Betoverend mooi. Je moet wat moeite doen om zijn introverte wereld te vatten, want ‘Heavy Ghost’ kan ook zo maar heel vluchtig zijn als je er niet compleet induikt.

SPINNER SCORE: 87/100

Recensie: Mono – Hymn To The Immortal Wind

maart 24, 2009

Op tijd voor hun tienjarig bestaan dit jaar verschijnt vandaag het nieuwe album ‘Hymn To The Immortal Wind’ van Japanse postrockband Mono. Grootser, voller, (mee)slepender en majestueuzer heb je de vier nog nooit gehoord. En dat wil wat zeggen als je hun indrukwekkende, intrigerende en gigantische rocksound kent. Mono heeft zich met de jaren verbeterd. Net als goede wijn, moesten de Japanners via de vier voorgaande platen en diverse (split)EP´s rijpen om tot dit album te komen.

Het instrumentale kwartet uit Tokyo was op hun eerste werkjes nog vooral een kopie van de meesters in het genre als Mogwai, Godspeed You! Black Emperor en Explosions In The Sky en zette het geijkte hard-zacht principe veelvuldig in. Met elk album leggen ze echter meer en meer hun sonische, perfectionistische pad richting een topstatus in de postrock. Mono staat al jaren garant voor lang uitgesponnen, wonderschone melodramatische en atmosferische klanktapijten waarin alles centreert rondom dynamiek en emotie. Uiteraard is dat op dit vijfde album niet echt veranderd, echter is het geluid nauwgezet verder uitgewerkt tot bijna apocalyptische hoogte.

Na vijf jaar non-stop getoerd te hebben nam Mono een jaar de tijd om zich te focussen op deze schijf. Je hoort dat er flink is gedacht hoe dit eclectische album in elkaar te steken. Geschreven en gearrangeerd met een hoopvol, romantisch verhaal in het achterhoofd, hangen de songs aan elkaar als een epische liefdesroman. De songstructuren op ‘Hymn’ zijn redelijk gelijk aan die van voorganger ‘You Are There’ uit 2006. Wat de zeven nieuwe tracks zoveel sterker maakt is de rijke orchestratie van het ingehuurde 28-koppige orkest en de twee dirigenten die hen aanstuurden.

Die impact voel je direct bij openingsnummer ‘Ashes In The Snow’. Een zachte gitaarriff, voorzichtig glockenspiel, langzaam zwellen de violen aan en de toetsen en fluit smelten samen in een symfonie van wringende, opstijgende gitaarmuren en donderend tympani drumwerk. Het materiaal werd in juni en november 2008 opgenomen door Steve Albini (Nirvana, Pixies, producer ´You Are There´) in zijn Electrical Audio Studios in Chicago op analoge tape. In één take. Daardoor wordt de intimiteit in de lawine van open geluid gewaarborgd. Je hoort het kraken van de stoelen tussen de muziek door van de orkestleden die heftig meebewegen op de golvende songs en zelfs de openingscue van de dirigent komt terug in de rustige momenten.

Die allesverzengende gitaarmuren worden kracht bijgezet door de extra laag van het orkest, zodat het als nooit tevoren over je heen komt kletteren. De filmische dramatische kwaliteit hadden ze al vanaf de eerste plaat ´Under the Pipal Tree´ (2001), maar de dynamische wendingen gaan nu eerder van donker naar licht. Aan de ene kant klinkt het bloedstollend beangstigend, aan de andere kant prachtig emotioneel sfeervol. Mono heeft het volwassen stadium bereikt dat ze de kenmerkende onderdelen in hun geluid nu meesterlijk kunnen balanceren.

Het korte verhaal van jonge 20er Heeya So dat Mono bewoog tot het maken van de plaat wordt meegeleverd in het cd-boekje. Als je bij elk nummer meeleest, heb je nog eens een extra dimensie te pakken die daadwerkelijk wat toevoegt aan het gevoel van de songs en hoe je het ondergaat. Het draait om het leven van twee kids/lovers, die elkaar vinden, verliezen, hervinden en opnieuw kwijtraken. Hun gezamenlijke leven, een sprong in de oceaan, de zoektocht en het afscheid wordt door Mono bloemrijk ‘verteld’. De openingstrack is het einde van het verhaal, waarna Mono je aan het handje meevoert in een sterke, beeldende soundtrack.

De intense, snijdende song ‘Pure As Snow (Trails of the Winter Storm)’ is doordrenkt met feedback en het voor Mono standaarden korte en etherische ´Follow the Map´ is een toppunt van romantiek. Alle 7 tracks zijn heuglijke toevoegingen aan hun imposante loopbaan. Enige uitzondering is het verheffende ´Everlasting Light´, dat op het eind ten onder gaat aan decadentie. Mono heeft zich niet losgemaakt van de postrock clichés, niks echt innovatiefs dus, maar het is oh zo goed uitgevoerd. Postrockfanaten zoals ik kunnen deze dus blindelings aanschaffen, want het is weer heerlijk rondwentelen. Free album download: ‘Ashes In The Snow’ (MP3).

Het jubileum wordt gevierd in New York met twee avonden een uitvoering van het nieuwe werk samen met dirigent Jeff Milarsky en 23 orkestleden van het Worless Music Orchestra. Daarnaast staan er ook wat heruitgaves gepland, de geremasterde vinylversies van ‘One Step More And You Die’ (2003) en ‘New York Soundtracks’ (2004). Mono toert eind maart en april door Europa. De band speelt op 28 maart in het Patronaat in Haarlem.

SPINNER SCORE: 88/100

 

Recensie: Fever Ray – Fever Ray

maart 23, 2009

‘Fever Ray’ is het eerste album van de vrouwelijke helft van de Zweedse dance-tweeling The Knife. Terwijl broer Olof in alle rust werkt aan een opera over Darwin, stak Karin Dreijer Andersson haar solodebuut in elkaar. Karen stoeide met het ruwe songmateriaal dat ze voor het grootste deel al klaar had liggen en bracht de helft ter productie naar Christoffer Berg, die alle albums van The Knife mixte. Het overige deel ging naar productieduo Rivers & The Subliminal Kid in Stockholm.

De ontstane ‘eigen’ sound is eerlijk gezegd niet zo ver van The Knife verwijderd, maar sluit juist erg nauw aan bij het derde en jongste album ‘Silent Shout’, waarmee de twee in 2006 eindelijk doorbraken in Europa. Dezelfde organische elementen die synthetisch klinken, dezelfde sinistere, onheilspellende sfeer die je gewend bent. Het is een soort samenraapsel van alles wat er al in de afgelopen albums van The Knife verstopt zit. Zelfs de vocalen, want ook Olof komt om de hoek kijken. Maar het meest wordt teruggegrepen op de moody vibe van de ‘Hannah Med H’ soundtrack die The Knife in 2003 maakte.

Destijds hoorden we nog wel een voorzichtig zoekende artieste, Fever Ray klinkt nu behoorlijk zelfverzekerd. ‘Fever Ray’ biedt volwassen songs, goed gearrangeerd, sprookjesachtig en in balans. De Knife-dancebeats blijven iets meer achterwege, waarvoor het geheel aan snelheid verliest. De songs besluipen je, in plaats dat het houserig bonkt, waardoor Karen’s vocalen (fluisterend of knauwend of hysterisch hekserig, elektronisch verdraaid, af en toe echo’s van Dead Can Dance) en cryptische teksten meer aandacht krijgen en op de voorgrond komen.

De duistere electro-ambient-klanken zijn opgebouwd uit dezelfde plastic, elektronische percussie en ijle, gekke synthsounds met dat eighties-sausje die typisch The Knife zijn. De ontwikkeling zit ‘em in fragiele en verfijnde toevoegingen. Hoor de delicate instrumenten in ‘Now’s The Only Time I Know’, de bamboefluit die door ‘Keep The Streets Empty For Me’ dwaalt of de rauwe gitaar in ‘I’m Not Done’ met helium-vocalen, de meeuwen in mooie afsluiter ‘Coconut’.

Het album lijkt hetzelfde, slepende tempo aan te houden, waardoor in eerste instantie de tracks veel op elkaar lijken. Echter blijkt er wel degelijk een nuance in te zitten door de rijke productie, iets sneller en een oceaan van rust en opbouw. Karen schept een boeiend, betoverend wereldje met een diepe, donkere ondertoon. Die tegenstelling vind je in elk nummer terug. Het mooiste voorbeeld hiervan is single ‘If I Had A Heart’, waar door huisstylist Andreas Anderson een hele mooie clip voor is gemaakt. Je waant je in een dichtgegroeid fris oerwoud, maar er hangt tegelijk een dikke dreiging in de lucht.

Erg goed gedaan dus, maar weinig echt nieuws, gewoon ’n beetje The Knife uithangen geblazen met een extra verdieping. Maar dat vinden wij helemaal niet erg. Fever Ray is te zien tijdens de komende Motel Mozaïque-editie in Rotterdam, op 9 en 10 april.

SPINNER SCORE: 75/100

Recensie: 13 Most Beautiful Songs… For Andy Warhol’s Screen Tests (DVD)

maart 20, 2009

Het is kennelijk voor het eerst dat er goedkeuring is gegeven aan een DVD vol originele Andy Warhol filmpjes. ’13 Most Beautiful Songs… For Andy Warhol’s Screen Tests’ (Plexi Film) is uitgegeven in samenwerking met het officiële Andy Warhol Museum. De schijf laat 13 screen tests zien, geschoten door de meesterlijke kunstenaar, filmmaker en sleutelfiguur in de Pop Art tussen 1964 en 1966 op 16mm film met zijn Bolex camera in zijn befaamde Factory studio in New York.

De klassieke verstilde film portretten in stemmig zwartwit – de in 1987 overleden Warhol maakte er wel zo’n 100 – waren oorspronkelijk zonder geluid, maar zijn speciaal voor deze uitgave voorzien van een soundtrack door Dean Wareham (ex-Galaxie 500) en Britta Phillips. Zij speelden voorheen beide in Luna en vormen nu samen het duo Dean & Britta.

De twee hebben zowel nieuwe songs gefabriceerd als covers gebruikt ter ondersteuning van de gefilmde audities. Onder de subjecten voor Warhol’s filmende oog vinden we zowel onbekende mensen als beroemde artiesten, vastgelegd omdat ze regelmatig aan kwamen waaien bij zijn studio. Daaronder Nico, Lou Reed en Dennis Hopper, maar ook Warhol’s protegé Edie Sedgwick.

Lou Reed zien we met een donkere zonnebril op een flesje (nog echt glas) cola leegdrinken. Een blonde chick (?) wrijft wat over haar gezicht en Jane Holzer poetst haar tanden, onderwijl zwoel recht in de camera kijkend. Uiteindelijk lijkt het wel of ze haar tandenborstel aan het ehm, pijpen is. De donkerharige dame laat heeel traag een paar tranen over haar wang rollen en een man kijkt een beetje naar zijn schoenen, alsof hij hard nadenkt. Nico koekeloert verveeld door een opgerolde krant, dat soort dingen.

De songs lijken in de stijl van de artiesten gehouden te zijn. Bij Reed krijgen we een wollige gitaarsolo en een rammelende, gedreven riff voor de kiezen, zoals de Velvet Underground zo mooi kan. ‘Hey, I’m Not A Young Man Anymore’ zingt de zware rafelige mannenstem met vrouwelijke zuchtende backing vocals bij een shot. Maar ook een Nico en Lou Reed-achtige samenzang op prettige wiegende klanken omwikkelen de zin ‘There Are Eyes In My Soul’ bij een andere screentest. Er komen ook lekkere country-achtige rockers voorbij. Dan zijn er nog spannende, soort van kosmische soundscapes verzonnen, beetje sci-fi, intrigerend en mysterieus. Dean & Britta werken prachtig samen maar wisselen ook vocaal af.

Bijzonder sfeervol! En een lust voor het oog voor Andy Warhol liefhebbers. Nooit gedacht dat dit soort in de basis eenvoudige beelden zo’n impact konden hebben. Daar heet je Andy Warhol voor en dat wordt mede veroorzaakt door de schitterende en treffende muzikale begeleiding van Dean & Britta. Zij weten precies de benodigde sfeer te vatten. Dat lange gestaar in de camera, terwijl het beeld langzaam vervaagd of begint de knipperen of gewoon stil gericht is op degene ervoor. Kan je erg ongemakkelijk doen voelen. Het is net of je bekeken wordt, terwijl je zelf aan het kijken bent naar extreme close-ups. Erg voyeuristisch.

Voor dertig dollar kun je de reguliere dvd-versie in kartonnen schuifdoosje kopen. Daar zit nog een achter-de-schermen docu bij, video-interviews met Dean & Britta en beelden van hun live shows bij de screen tests. Een luxe editie verschijnt op het formaat van een LP-hoes. Bij elk exemplaar zit een unieke foto met zilverdruk ontwikkelgelatine, waardoor deze er authentiek uit ziet, plus een boekje en poster. Deze versie kost 250 dollar en is uiteraard sterk gelimiteerd. Het enige nadeel van de DVD is, je moet er wel van houden.

SPINNER SCORE: 87/100

Recensie: Lay Low – Farewell Good Night’s Sleep

maart 14, 2009

Lay Low komt uit het prachtige, uitgestrekte IJsland, maar maakt geen muziek in de atmosferische fantasiestijl van Sigur Rós of aapt de experimentele sound van Björk na. Nee, je moet toch echt denken aan Johnny Cash en dan vooral zijn eega June Carter! Want de 26-jarige jongedame Lovísa Elísabet Sigrúnardóttir, die opereert onder de naam Lay Low, heeft een album gemaakt dat zo maar uit een studio in Nashville had kunnen komen.

Dat is wel ff moeilijk te bevatten, want bij IJsland denk je niet direct aan country. Eerder aan sprookjesachtige elfjes en kabouters zoals Anton Piek ze tekende. Wel een verrassende stap na haar debuutalbum ‘Please Don’t Hate Me’ van twee jaar geleden, dat vooral gestoeld was op de blues en folk. Country, hoewel alle ingrediënten in de vorm van een banjo, steelgitaar, wollig orgeltje en een melancholieke snik wel aanwezig zijn, vat Lay Low’s muziekstijl ook niet helemaal samen. Het zijn eerder nachtclub jazzy-achtige easy listening songs met nadrukkelijke, authentieke country-vibes, gezongen met zwoele en tegelijk lieflijke stem.

Zo had het poppy toegankelijke nummer ‘By and By’ had niet misstaan op Emiliana Torrini’s doorbraakplaat ‘Me and Armini’. De hoogvlieger tussen de 11 tracks is echter de intense tranentrekker ‘The Reason Why My Heart’s in Mysery’, een cover van Lefty Frizzell), maar ook het titelnummer en ‘Days Have Been’ blijven goed in de bol hangen.

Sigrúnardóttir nam het album met behulp van een aantal Engelse studiomuzikanten, waaronder pedalsteelgitarist BJ Cole, op in de analoge Toe Rag Studios in Londen. Voor de White Stripes-fans onder ons niet onbekend. Het album is dan ook prachtig mooi, warm en open geproduceerd. Lay Low fluistert bijna in je oor. Daar ligt het dus niet aan dat ‘Farewell Good Night’s Sleep’ een beetje aan je voorbij trekt. De brave songs zijn prima opgebouwd en sfeervol, maar hebben weinig eigen smoelwerk of avontuur in zich. We hadden toch graag een wat opvallendere identiteit door horen klinken.

Lay Low’s poezelige kleine meisjes vocalen en oprechte songs wiegen je langzaam in slaap. Goed om op te zetten als dromerig behangetje.

SPINNER SCORE: 68/100

Recensie: Andrew Bird – Noble Beast

maart 8, 2009

Na drie albums verscheen in 2001 ‘The Swimming Hour’, waarop Andrew Bird – nog steeds geworteld in de folktraditie – een ommezwaai naar meer pop en rock maakte. Tweede soloalbum ‘The Mysterious Production of Eggs’ (2005) werd een schitterend dromerig en hemels plaatje en hoewel opvolger ‘Armchair Apocrypha’ wat duisterder klonk werd deze ook alom bejubeld. Nu is er ‘Noble Beast’, dat Bird schreef vanuit een boerenschuur op het landgoed van zijn ouders in Illinois, eenzaam in zijn gedachten en ingeklemd door een idyllisch landschap (zoals ook op de hoes prijkt).

In zijn fantasiewereld is Bird heer en meester. De wonderlijke Amerikaan is een virtuoos multi-instrumentalist, klassiek geschoold violist, volleerd fluiter (hij bezit de gave om gefluit niet storend maar prettig te laten zijn. Net als Creedence Clearwater Revival het in zich had om een koeiebel tot een geniale aanvulling te verheffen) en een sublieme singer-songwriter. De sound is nog weidser en ‘Noble Beast’ sleept je verder binnen in de diepe krochten van zijn geest. We mogen meeliften bij de kleine ontdekkingsreisjes en hij toont ons de omgeving. Bird volgt dat pad al sinds zijn ‘Weather Systems’ in 2003, toen hij zijn band Bowl Of Fire ten ruste legde.

‘Noble Beast’ biedt niets echt vernieuwends, Andrew schudt songs zo uit zijn mouw (pende hij ergens in zijn intrigerende blogposts voor de New York Times). We luisteren naar momentopnames uit Bird’s leven. De songs liggen perfect in het gehoor, alles is op de plek waar ie wezen moet. Dat muzikale vakmanschap, dat is nou juist iets om over te (kunnen) vallen. De innovatie zit ‘em bij Bird in het uitkristalliseren van zijn al zeer eigen geluid, niet in het verrassingselement. Elk plaatje is een stapje verder in het vervolmaken ervan, een sfeervol en organisch mengsel van kamerpop, moderne folk, indierock en jazz.

De 14 songs – van opener ‘Oh No’ tot slotstuk ‘On Ho’ – hebben alles in zich wat Bird kan in overtreffende trap. Elegant wiegende liedjes die gaan van een 20-seconden sketch (‘Ouo’) naar een zes minuten durend meditatief stuk (‘Masterswarm’ – van Nick Drake naar flamenco, folk noir en Radiohead’s electronica-invloeden). Opgebouwd uit melancholiek folky vaak inkleurend vioolgestrijk en warm gefluit (meestal aan het begin en eind van een nummer), gitaargetokkel, ritmische handclaps, keys, klarinet en zijn kenmerkende delicate electronica loops. Andrew’s troostende vocalen en een onthaastende flow, zijn de grootste stap vooruit na het wat chaotische ‘Armchair Apochrypha’. Bird lijkt op een charmante kruising van Radiohead’s Thom Yorke en Paul Simon en af en toe komt meester John Cale door.

Een enkele penetrerende gitaarlick, krachtige electronica flard of beat houdt de aandacht erbij; even veer je op uit je luie ligstoel om je daarna weer dromerig en kalm terug te vleien. Het is een avontuurlijk belevenis, zowel de in balans zijnde, mooi gearrangeerde muziek als de goed gevonden, aan literatuur refererende intelligente teksten, woord spielerij en bizarre songtitels. Zoals je naar Belle & Sebastian’s woordkunstenaar Stuart Murdoch luistert die af en toe een brede grijns op je gezicht tovert, volg je eveneens Bird en zijn ingevingen, alleen gaat het Andrew nu meer om de klank van de woorden dan de betekenis ervan.

Er zijn er maar weinig zoals vreemde vogel Andrew Bird, met een compleet eigen stijl die ver boven de gemiddelde singer-songwriter uitsteekt. ‘Noble Beast’ is zijn vierde sterke soloalbum op een rij, al blijft ‘The Mysterious Production Of Eggs’ zijn mooiste en dit zijn meest coherente. ‘Noble Beast’ geeft zijn schoonheid niet zo maar prijs. Daar zijn draaibeurten voor nodig, al nestelt het zich na een eerste beluistering al wel in je gevoel. Het album eindigt met een stemmig stukje viool, dat een brug slaat naar het instrumentale, experimentelere bonusalbum ‘Useless Creatures’ (8 tracks) dat bij de Deluxe Edition van ‘Noble Beast’ wordt bijgeleverd.

SPINNER SCORE: 77/100

Recensie: V/A – Dark Was The Night

maart 7, 2009

Amerikaanse organisatie Red Hot kwam met het idee voor ‘Dark Was The Night’ (4AD), een nieuwe verzamel dubbelcd ten voordele van de strijd tegen Aids, en vroeg de broertjes Aaron en Bryce Dessner van The National om het proces te overzien. Albums voor het goede doel worden altijd met de beste intenties geïnitieerd. Meestal is het resultaat echter zwaar teleurstellend. De uitverkozene namen zien er interessanter uit dan dat het uiteindelijk muzikaal is. Artiesten leveren een oude, verdwaalde track of flauw b-kantje in, of maken er zich met een middle-of-the-road cover vanaf. Gelukkig is de compilatie ‘Dark Was The Night’ daar een hele grote uitzondering op!

Het is een bevlogen, zeer indrukwekkende, meer dan twee uur omvattende verzameling van 31 exclusieve songs. Niet alleen de namen die op de beide hoezen prijken en muzikale bijdrages leverden in de vorm van eigen, veelal ingetogen unieke liedjes, fraaie samenwerkingen en vindingrijke covers omvatten het neusje van de indie scene zalm anno 2008/2009, vooral de Amerikaanse. Maar ze maakten er ook stuk voor stuk, slechts enkele bands daargelaten, iets speciaals van. Sommige overstijgen zelfs hun al geniale niveau.

Vooral de eerste schijf staat bomvol juweeltjes. David ‘Talking Heads‘ Byrne en Dirty Projectors vocalen passen perfect in ‘Knotty Pine’, zoals de stemmen van Death Cab’s Ben Gibbard en Feist naadloos samensmelten in hun schitterende cover van Vashti Bunyan’s ‘Train Song’. Feist’s latere ‘Service Bell’ bijdrage met Grizzly Bear, daar valt de kaak van open zo mooi en ook My Brightest Diamond’s rokerige versie van ‘Feeling Good’ en Yeasayer’s lenige uitvoering van ‘Tightrope’ heft de wenkbrauwen ver omhoog. Het uitwaaierende ‘Sleepless’ van The Decemberists is simpelweg meesterlijk.

Bon Iver levert een schattige song over een klein dorpje in Wisconsin, half cello half electronica duo The Books doet met José González een ijzingwekkende cover van Nick Drake’s ‘Cello Song’, Dessner tekent met Iver voor een van de meest spooky tracks ‘Big Red Machine’, terwijl zijn broer met Antony Hegarty Bob Dylan’s traditionele ballad ‘I Was Young When I Left Home’ heel sober en tragisch opfleurt. Sufjan Stevens mag afsluiten met zijn Castanets versie ‘You Are The Blood’, desolate pianoklanken, minimale electronica sounds en mystieke vocalen zetten de nekharen overeind. Buck 65’s remix van ‘Blood Pt. 2’ is er zo eentje die je kunt skippen…

Schijf twee is iets wisselvalliger dan de eerste, maar niettemin de moeite. Spoon opent met het wat meer ritmische, zwierige ‘Well-Alright’, waarna het zouteloze ‘Lenin’ van Arcade Fire volgt. Vanaf hier is het ofwel mmmm ofwel aardig entertainend. Het niveau zakt een beetje in. De betere tracks komen van New Pornographers (die een van hun bandcollega’s Dan Bejar’s ‘Destroyer’ songs covert), het altijd ontspannen rockende Yo La Tengo, de geile Blonde Redhead & Devastations samenwerking, Riceboy Sleeps (met leden van Sigur Rós) en Gillian Welch samen met Conor ‘Bright Eyes‘ Oberst. En Cat Power klinkt als twee druppels soulvol Janis Joplin water.

Het is eigenlijk gewoon teveel om specifiek te bespreken. De enige minpunten die we kunnen vinden is dat er weinig hip hop op voorkomt, er niet al te uitbundig gerockt wordt en er ook weinig te dansen valt. Maar goed, het is dan ook geen feesten en partijen plaat, echter een echt (f)luisteralbum. Dus trekken die portemonnee en rap. Genieten met volle teugen! ‘Dark Was The Night’ is een meer dan waardige opvolger van Red Hot’s eerdere uitgaves, de Cole Porter coverplaat ‘Red Hot + Blue’ (1990) en ‘No Alternative’ (1993), met Pavement, Sonic Youth, Nirvana en anderen. Die je trouwens ook moèt hebben.

Op de speciale ‘Dark Was The Night’ site beluister je wat tracks en nog meer op de MySpace stek. The National’s bijdrage ‘So Far Around The Bend’ live kun je hier checken.

SPINNER SCORE: 88/100

Recensie: Action Beat – The Noise Band From Bletchley

maart 4, 2009

Deze jonge dudes van Action Beat stammen uit Bletchley, een dorpje onder de rook van het Britse Milton Keynes. Zie je de hoes van hun tweede plaat voor het eerst – met daarop de ontblote bovenlijven van een boel muzikanten in de buitenlucht die ogenschijnlijk helemaal uit hun naad gaan en een berg instrumenten er omheen verzameld tegen een achtergrond van een groot groen monster, wat overigens een kunstwerk blijkt te zijn – dan denk je dat je met een freakfolk gezelschap te maken hebt. Kom je even snel op terug bij een eerste luisterbeurt. Het blijkt een niets ontziend noiserock/no wave punk ensemble van jewelste!

Fris van het Engelse platteland wilden de Action Beat rockers eigenlijk alleen maar zoveel mogelijk speulen. De eerste plaat ‘1977-2007: Thirty Years of Hurt, then us Cunts Exploded’ (Fortissimo 2007) verkocht enkel via de vele concerten al uit. ‘The Noiseband From Bletchley’ verscheen derhalve bij het speciaal door Southern Records daarvoor opgezette noise-label Truth Cult (Konkurrent). Hoewel het allemaal begon met Don Mclean en James Carney in 2004, bestaat Action Beat nu uit minstens drie gitaristen, een bassist, één tot vier drummers en een handjevol blazers en strijkers. De wisselende bandbezetting varieert live van 6 tot 15 man (!).

Improvisatie is de kern van hun muzikale bestaan. Hoewel het een improvisatie band is, weet Action Beat het in tegenstelling tot vele collega’s in hun genre kort, gepassioneerd gedreven en héél krachtig te zeggen. En dan ook nog met verrassend veel melodie. Pompend, groovy drumgeweld, gelaagde dissonante, krankzinnige gitaarriffs, dikke baslijnen, allemaal opbouwend naar kolossale crescendo’s die je oren binnen komen crashen met een kracht die de kids in de moshpit wel tot flink pogoën aan MOETEN zetten. Het roept pure baldadigheid bij de luisteraar op als de 12 tracks voorbij komen razen. Tussen de instrumentale bezwerende noisy soundscapes door worden sporadisch wat tekstflarden geschreeuwd en horen we her en der nog een verdwaalde blazer of strijkerdroon.

De contouren van het gebied waarbinnen Action Beat zich beweegt werden uitgezet door The Ex, Glenn Branca, Rhys Chatham, Gore en Lullabye Orchestra. Ze hebben vooral veel van dat broeierige, duistere onderbuikse dat bijv. ‘Daydream Nation’ van de vroegere Sonic Youth kenmerkt. Gebracht met de intensiteit van Fugazi en de tour attitude van Black Flag (ze hebben in hun korte bestaan 200 shows op de teller en er staan er al 100 klaar voor 2009). De grote namen moeten genoemd, want de invloeden zijn helder en toch hebben ze daar hun eigen spannende weg in gevonden. Nergens lijkt het teveel op. En dan te bedenken dat deze coole shizzle in slechts drie dagen werd opgenomen…

Noise lovers: kopen dus! En d’r is ook dikke plak vinyl te krijgen, zoals dat gewoon hoort. Lekkerrrrrr! Ik verheug me al naarstig op de live shows, dat moet niets minder dan een wervelwind zijn die over je heen komt gedonderd: er is er vooralsnog maar eentje in ons land gepland op 10 april in het kleine Overtoom 301 (Amsterdam). Maar je kunt ook naar België op 4 april tijdens Sonic City (Kortrijk) of 6 juni, DNA (Brussel).

Down de track ‘Le Chap’ (MP3)

Recensie: M. Ward – Hold Time

maart 3, 2009

Sinds 2001 bracht Amerikaanse muzikant Matt Ward (M. Ward als artiest) zes platen uit, met deze laatste nieuwe erbij. Begonnen met verstilde lo-fi opgenomen songs bouwt hij zijn nummers – ook productioneel – steeds verder uit, daarbij het charmante onaffe in het vizier houdend. Elk album verkocht beter en elke plaat heeft tevens een eigen thema. Zo stond op de meest recente platen ‘Transfiguration Of Vincent’ (2003) obscure folkgitarist John Fahey centraal, draaide ‘Transistor Radio’ (2005) om de radio en richtte hij zich op de oorlog op ‘Post-War’ (2006).

M. Ward bereikte vorig jaar, met actrice Zooey Deschanel onder de paraplu She & Him, eindelijk zijn grootse, internationale succes. Lovende kritieken vielen hen ten deel voor ‘Volume One’, waarop Ward de fragiele, wonderschone zang van Zooey voorzag van efficiënte gitaarlicks. ‘Hold Time’ is het volgende hoofdstuk en zoektocht naar een gemene deler. Ditmaal probeert hij gefascineerd uit te vinden wat een liedje klassiek en dus tijdloos maakt.

Vooral de naar perfectie riekende, brede orkestarrangementen en zijn virtuose, inventieve gitaarspel – dat gaat van ingetogen tot zwaar bezeten – zijn speerpunten op zijn zevende schijf ‘Hold Time’ en de bindende factor. M. Ward weet de jaren ’50, ’60 en ’70 retrosound te vermengen tot zijn eigen, modernere geheel. De met mystieke fluisterstem gebrachte songs hebben invloeden van de rock ‘n’ roll zoals we die nog kennen van Buddy Holly (‘Rave On’), Beach Boy Brian Wilson klinkt links en rechts door, Phil Spector’s Wall Of Sound komt om de hoek kijken bij de folky popliedjes (die gelijken op die van She & Him) en er is afwisseling met desolate countrynummers in de stijl van The Man In Black Johnny Cash.

Naast Deschanel’s hulp heeft Matt nog meer vriendendiensten ingeroepen. Grandaddy-zanger Jason Lytle – die overigens binnenkort zelf weer met een comeback solodebuut komt – staat in ‘To Save Me’ met slechts zijn speelgoedsynth en pompende pianoklanken M. Ward zeer luidruchtig bij. De Don Gibson country & western klassieker ‘Oh Lonesome Me’ doet Matt in vraag-en-antwoord vorm met Lucinda Williams. Op zich had je die best kunnen missen, want zoveel bijzonders gebeurd daar niet mee. Echter op de plaat valt ie prima tussen de andere prachtsongs weg te moffelen.

‘Hold Time’ hoogtepunten zijn toch echt de titeltrack met ijzingwekkende strijkers en een voorzichtig cymbaaltje, de glinsterende sixties popsong ‘Never had Anybody Like You’ (met Zooey) en ‘Epistemology’, een banjo met strijkers groeiliedje dat uitmondt in verdomd aanstekelijk rocknummer met een kenmerkende tekst die een brede grijs oplevert. De roots van ‘Hold Time’ liggen dan wel in het verleden, maar M. Ward geeft ze een eigentijdse vibe mee. Ook de sfeervolle productie (door Mike Mogis, de orkestratie door Peter – Horse Feathers, Efterklang – Broderick) is weer voller dan op de voorganger, maar nergens wordt de luisteraar overladen of zorgen de extra aanvullingen voor een chaos. Hij ondernam een reis door de tijd en heeft inderdaad gevonden wat die doet stilstaan.

In onze opinie heeft M. Ward zijn beste schijf tot nu toe afgeleverd, al is hij nergens bijzonder innovatief bezig. Hoe hoog de kwaliteit al lag op de eerdere platen, deze songs overtreffen het. En dat wil heel wat zeggen…

Recensie: Elle Bandita – Queen Of Fools

februari 23, 2009

2009 moet hèt jaar van Elle Bandita alias Ryanne van Dorst worden, onze eigen Über Rotterdamse rockchick. Van het eerste Sonic Youth-achtige bandje Coco Haely maakte ze de overstap naar de door Barry Hay bij elkaar geveegde girlband Bad Candy om vervolgens via The Riplets tot haar zelfstandige project Elle Bandita te komen. Begonnen met alleen haar 4-track tape recorder en een Flying V gitaar, bestookte Elle drie jaar lang de podia met haar opruiende mix van electronische beats, heavy metal riffs en haar spraakmakende live presentatie.

Haar solodebuut EP ‘Love Juice’ uit 2005 was niet slecht, maar nog wat pril qua stijl en veroorzaakte niet de aandacht die deze glamqueen graag zag. Er werden constant vergelijkingen getrokken met Chicks on Speed, Nina Hagen en Peaches. Dat moet allemaal anders worden met ‘Queen Of Fools’. De ‘dame’ maakte wat doelbewuste keuzes: ze mat zich een nieuw voorkomen aan (richting de Ziggy Stardust look in een nauwsluitende catsuit), verruilde haar tapedeck voor een loeistrakke band en stapte over van Tocado naar PIAS om het grootser aan te pakken.

Om haar ambities waar te maken (ze zingt niet voor niets ergens ‘I Can Do Anything’ en ‘I’m A Rockstar’) werd ook een sterrencast aan muzikale collega’s ingeschakeld: meerdere producers zoals Reyn Ouwehand (tevens bekend als componist C64 games), Billinger & Marsman en Torre Florim (zanger/songwriter de Staat, die momenteel ook de berg der succes beklimt), maar ook gasten als Joppe Molenaar (Voicst, drums) en Daan Schinkel (zZz, toetsen). Elle pakt het beste van de mannen mee, want ondertussen klinkt haar plaat meer rock ‘n’ roll met harige ballen dan die van de genoemde bands!

De 11 tracks komen vanaf nummer een en eerste single ‘Poison She’ – waar Queens Of The Stone Age invloeden hoogtij vieren – als een stoomwals over je heen. Het is doelbewuste trashy, snoeiharde punkrock met een electro randje, die vooral uitblinkt in ‘I’m Screaming’ en ‘Who’s Your Dog Now’ naast de opener. De slechts 35 minuten durende ‘Queen Of Fools’ bezorgt je een overdosis aan adrenaline. Die eeuwige vergelijkingen kunnen terug in de kast, want Elle heeft haar smoelwerk gevonden.

Ze soleert de sterren uit de jaren ’70 hemel. De gitarist/zangeres heeft duidelijk ervaring opgedaan (als Riplet en als snarenplukster bij de laatste Voicst-tournee). Dikke compromisloze electrobeats en pompend drumwerk worden snerend overschreeuwd met haar wilde vocalen. Ze heeft ook daar aan technische skills gewonnen en de emotie blijft doorklinken. De producers hebben goed werk geleverd, alle nummers hebben een vol live geluid dat een dik contrast vormt met de nog wat klungelige sound op ‘Love Juice’. Groots maar open, vaak ultrasnel, zoals The Sisters of Mercy ook klonken.

Elle Bandita heeft ondanks de harde sound toch aanstekelijke liedjes weten te schrijven met meer diepgang. Onze jongedame is muzikaal volwassener geworden, al is ze nog steeds maar 23 jaar. Dit is een duidelijke verbetering, maar of de songs al goed genoeg zijn, moet nog blijken. Want zwaar vernieuwend is het allemaal niet en vooralsnog is ‘Poison She’ de enige hit. Het steekt gewoon allemaal veel beter en lekker in elkaar en het voelt als een nieuw Elle begin. De presentatie van ‘Queen Of Fools’ is 25 februari in de Amsterdamse Melkweg en de 26ste in Rotown (Rotterdam). Bandita is er meer dan klaar voor iedereen met punkattitude te overtuigen van haar explosieve kunsten. Maar toch denken we dat plaat nummertje drie pas dé schijf wordt.

Recensie: Yumma-re – Eden

februari 17, 2009

Yumma-re maakt naar eigen zeggen industrial. Het vijftal uit Italië probeert echter krampachtig een eigen identiteit te vestigen door het beste van een heleboel genres door elkaar te husselen: duistere electro, ambient, new wave, donkere pop, wereldmuziek, jazz, triphop, indierock en hypnotische sounds, samples en drumcomputers. Maar zoals zo vaak, is het beter wat gerichter te kiezen qua stijl. Anders wordt het al snel een besluiteloos allegaartje zonder smoelwerk en gewoon een optelsom van diverse muzikale invloeden.

Yumma-re’s tweede studioalbum ‘Eden’ (ze maken ook wel eens soundtracks) valt dus niet zomaar in een hokje in te passen, daar zijn de 11 songs die in 40 minuten voorbij trekken en waar maar liefst vier jaar aan is gewerkt, té veelzijdig voor. Bijna kameleon-achtig. Maar de nummers variëren ook sterk in kwaliteit en vaak moet je aan de vreemde, tegen elkaar indruisende combinaties wennen. Een in eerste instantie interessante luistertrip is het dan weer wel.

Klinkt de opener ‘Babylon’ bijna als een nieuwetijdse Bony M. gemixt met ABBA met dikkere beats, trompetklanken en wisselende zang, de opvolgende boordevol gepropte songs gaan van bevreemdende, Franstalig gesproken zinnen en noise electro in ‘Killer’, elektronica (dromerige xylofoon en slepende samples) en spraakzang in ‘Try’ naar het kalmere, bedrukte, naar het heelal afglijdende ‘My Dream’. In dit soort songs horen we de Massive Attack en Tricky triphop in de verte terug. Maar Yumma-re kan zich amper meten met dit soort grote maten.

Het komt allemaal niet echt slecht over. Zo bevatten het verheffende, weirde en soundscapige ‘Habito Paloma’, de kortere intermezzo’s ‘Revolution part 1’ en ‘2’ en het zweverig voorgedragen ‘Borderline’ (waar de man zingt) plus slotstuk ‘Sleepin’ On A Satellite’ – een ontspannen, psychedelisch mengsel van dub met een speels orgeltje, ruimtelijke trompet en dit keer Engelstalige vocalen en een Franse rap op het eind – best een aantal goed gelukte momenten. Echter te vaak heb je toch de neiging om de ejectknop uit verveling in te drukken.

Meer dan een ‘aardige plaat dat ‘Eden’ kunnen we er niet van maken. In dit geval was minder, waarschijnlijk véél meer geweest. Wat Yumma-re in de genoemde opvallendere tracks dan ook doet.

Recensie: Pallers – Humdrum 12″ EP

februari 15, 2009

Deze nieuwe Zweedse electro-pop lievelingen (Stockholm) maken het zich niet gemakkelijk om bij een groter publiek bekend te worden. De twee – die eerder opereerden onder de naam Sara and Jenny – zijn namelijk geen enge soundtrackmuziek makers en ook geen snelle, oppervlakkige electro dudes. Pallers songs zijn voor de verfijnde proevers. En als debuut hebben ze eind 2008 een 12″ EP uitgebracht, met slechts één origineel nummer, de titeltrack ‘Humdrum’, met nog twee versies daarvan (‘Pallers Delight Version’ en een ‘Ultracity Epic’ remix) en één andere track (‘Slow Down Quickly’).

Op de ‘Humdrum’ EP schijnt de zon door het duistere heen. Dat kan iets te maken hebben met het feit dat de vier tracks daadwerkelijk werden opgenomen in Spanje. Maar het gelaagde materiaal is kraakhelder als een zonnige dag en er zit een vreemdsoortige vorm van warmte in de electronische arrangementen. Het doet veel minder agressief en angstaanjagend aan dan bijv. de tracks van die noise instrumentalisten van Fuck Buttons, hoewel het niet minder aangrijpend klinkt.

Vooral het oorspronkelijke ‘Humdrum’ is prettig: zweverige en dromerige (mannelijke) zang wordt omlijst door opbouwende beats en knisperende sounds, een licht gitaarriffje en arpeggio synthklanken. De ‘Pallers Delight Version’ begint wat lichtvoetiger en drijft in negen minuten in een lager tempo en met minimalere, relaxtere beats en dragende baslijn (zoals Air dat ook zo goed kan) langzaam richting het punt waar de transparante vocalen invallen, die me erg doen denken aan het laatste album van het Noorse The White Birch. Het is bijna zo’n luchtige soundscape dat het aan je voorbij trekt als je even niet oplet.

Het Saint Etienne-eske ‘Slow Down Quickly’ klinkt dan weer wat triestiger, hetgeen een mooie afwisseling is met de ‘Ultracity Epic’ remix, waarin de dikkere beats uit de kast worden gehaald, die de spil vormen samen met electro-bliepjes, een desolaat koor, percussie en drumsamples. Pallers creëert een rijk landschap, anders dan de overvolle landschappen van Ratatat, maar met ‘doorzichtige’, frisse melodieën en tijdloze structuren. Ben nieuwsgierig geworden naar een volledig album! Dit smaakt naar meer.

Beluister het nummer ‘Humdrum’ (MP3)

Recensie: Orka – Livandi oyða

februari 11, 2009

Orka stamt van Innan Glyvur op de Faeroër Eilanden. Met zijn afgelegen kliffen, panoramische uitzichten en ‘verborgen’ civilisatie maakt dat de groep natuurlijk al anders dan de doorgaanse vasteland bands. Maar het feit dat deze gasten, aangevoerd door oprichter Jens L. Thomsen, hun eigen instrumenten verzonnen en in elkaar knutselden maakt ze nog weirdere freaks. Wie van rare fratsen houdt, houdt zeer waarschijnlijk van de muziek die Orka voortbrengt.

Het debuutalbum ‘Livandi oyða’ werd opgenomen in Niels L. Thomsen’s boerderij, onder de bezielende leiding van Jens. Alle instrumenten die op de plaat voorbij komen zijn tijdens de Kerstdagen in 2005 bij hem thuis gebouwd van afvalmateriaal en zwaar electrisch gereedschap, dat maar wat rondslingerde en bij elkaar werd gezocht.

Daarmee sloot Jens (bas) zich met Jógvan Andreas á Brúnni (drumvaten), Magni Højgaard (slijpsteen), Bogi á Lakjuni (hydro harp), en Kári Sverisson (andere sounds) vijf dagen op in de ‘studio’ om nummers te componeren. Aansluitend werd er een concert gegeven in de machinehal van Oud op Nieuwjaarsavond, waar de songs ten gehore werden gebracht. Dat originele live materiaal, afgemixt in Martin Terefe’s Kensaltown Studios in Londen, is op dit debuut terecht gekomen met remixen van de nummers door The Third Eye Foundation, Bookworms, Oktopus/Deadverse en Com-Data.

Het duurde even voordat Orka’s muziek ons bereikte. In 2008 ontstond er in de alt. indie scene pas een kleine hype rondom de groep, aangezwengeld door hun eerste gig buiten de eigen landsgrenzen tijdens de Atlantic Soundscapes showcase in Brussel. Daar maakten de mannen zo’n stevige indruk, dat er meteen een bak boekers op hen afstormden om hen in Europa uit te zetten. Met het gevolg dat ze samen met Yann Tiersen speelden tijdens het prestigeuze Transmusicales Festival in Frankrijk eind december, dat zijn 30ste verjaardag vierde. Het is terecht. Hun muziek is niet te vergelijken met iets dat ik al ken, hoewel ik het vermoeden heb dat dit een echte live act is die gezien moet worden, om volledig te begrijpen.

Orka is een avant-garde gezelschap dat met een eigen sound en een hele aparte, absurdistische sfeer weet neer te zetten. Ergens in de verte heeft het wat weg van Tom Waits potten en pannen show, maar toch ook weer niet. De instrumenten zorgen voor ongekende klanken, die avontuurlijk en spannend aan elkaar worden geregen in op het eerste oor eclectische, logge nummers. Maar op een of andere manier worden de songs na verloop van tijd melodieuzer en weten ze je in te pakken. De sporadische teksten gezongen met heldere stem, die zijn niet te verstaan.

Een strakke duidelijke omschrijving is dus niet te geven, het devies is luister zelf, maar we doen toch een poging. Het gaat van een nummer dat uitbouwt op een panfluit riff, met een rauwe blikkerige drumslag, een herhalend baslijntje, een zingende harp en nog wat wazige sounds zoals een koe tot een song met gesamplede vocals, een creepy donkere ondertoon met ineens een keiharde slijptol erdoor heen. Het laatste duistere nummer van de 12 cd-tracks, eentje van 20 minuten waarin de Jens’ pa de boerderijdeuren opengooit wat te horen is tegen het eind, draait om grof vioolgestrijk, een kale drumslag, een luchtig orgel dat lijkt op een heel klein stoomlocomotiefje en eindigt in een mini climax.

‘Livandi oyða’ is te verkrijgen op cd met een DVD, met twee muziekvideos, twee live filmpjes en het Oud op Nieuw concert in beeld, plus een korte documentaire over hoe hun instrumenten zijn gemaakt. Voor geluidsfreaks op zoek naar originaliteit, een hele dikke aanrader.

Recensie: Beirut / Realpeople – March of the Zapotec / Holland

februari 9, 2009

Zach Condon is een beetje de Kuifje van de moderne, Amerikaanse indiemuziek. Als Beirut, met onder de arm zijn vertrouwde ukelele en trompet geklemd, onderneemt hij telkens andere avonturen. Zo reisde hij af naar het Land van de Zigeuners (op debuutalbum ‘Gulag Orkestar uit 2006), bezocht het Parijs uit de Gouden, Twintiger jaren (op ‘The Flying Club Cup’ in 2007) en voor zijn nieuwe plaat, die uiteenvalt in de twee EP’s ‘March of the Zapotec’ en ‘Holland’ (Pompeii Recordings), zocht hij de Vallei Van De Zapotecs en Laptop land op.

Het idee achter de eerste helft van dit ‘album’: Condon wilde een soundtrack maken voor een film in Mexico en raakte onder de indruk van de begrafenisbands uit de Oaxaca regio. Om de roots van die muziek te traceren toog hij naar het kleine Zapotec dorpje in Teotitlan de Valle en werkte daar – met behulp van een vertaler – samen met de 19-koppige Jiminez band aan zes tracks (Grizzly Bear’s Chris Taylor trompeteert mee op ‘The Shrew’).

Je zou denken dat ‘March of the Zapotec’ een groot verschil maakt met de voorgaande platen. Dat valt eigenlijk reuze mee, tis ietwat triestiger en donkerder. De blazers zorgen nu voor Mexicaanse invloeden waar dat voorheen Balkan folk en Franse chansons vibes waren. Banda, de traditionele blazersmuziek van Mexico, komt dan ook deels voort uit de polka muziek, die de Duitse en Poolse immigranten in de 19de eeuw overbrachten. De ‘hoempa’ is een belangrijk gedeeld aspect.

Beelden van een charmant, pittoresk Mexico doemen op in de marcherende songs: ontroosbare rouwende moeders, carnavalesque dorpspleintjes, bittere vrouwen en de dood door een banjonet. Condon weet de stijl naar zich toe te trekken en er een eigen onmiskenbaar geluid van te maken. De songs worden aan elkaar verbonden door zijn emotionele, wankele en intense croon vocalen. Super geschikt voor een Mexicaanse roadmovie waarin zo’n mariachi overlijdt. Eerste, slepende single ‘La Llorona’ is derhalve een goeie graadmeter.

Door na de eerste EP-tracks nogmaals op de play-knop te drukken, belanden we bij de tweede helft van het album. De EP ‘Holland’ (van ‘Realpeople’ – een vroege slaapkameropnames alias van Beirut) werd grappig genoeg thuis opgenomen, maar staat veel verder af van zijn doorgaanse stijl. Het zijn vijf lichte, folky electronische popschetsjes, die doen vermoeden dat Condon vroeger graag naar Magnetic Fields Stephin Merritt’s romantische synthpop luisterde.

Vooral opener ‘My Night With a Prostitute From Marseilles’ (al verschenen op een digitale release van Nathalie Portman) had zo maar uit Merritt’s oeuvre kunnen komen en de electronische arrangementen van bijv. ‘No Dice’ voelen aan als een eindeloos jaren tachtig computerspel thema. Condon verstaat de kunst van het schrijven van liedjes, maar dat komt op dit gedeelte geenszins naar boven. ‘Venice’, die met zijn waterige winterzon synthklanken met luchtige Miles Davis trompet doet denken aan Boards Of Canada, is dan het best te verhapstukken. Als de zang er in deze track inkomt, betreden we direct weer het bekende terrein van Beirut.

Laten we deze release gewoon zien voor wat het is: een – eigenlijk twee – aangename tussendoortje(s), terwijl we wachten op het volgende, volwaardige album van Beirut. Door ‘March of the Zapotec/Holland’ wordt nog duidelijker dat Condon MOET worden gevraagd voor een film soundtrack, want dat heeft ie overduidelijk in zich. Ik schat dat de loyale fans gaan voor EP 1 en de tweede snel aan de kant zullen gooien.

Recensie: Animal Collective – Merriweather Post Pavilion

februari 1, 2009

‘Merriweather Post Pavilion’ (naar een openlucht muziekpaviljoen in de staat Maryland) is zo’n album dat net als een kermis carroussel moet blijven draaien, draaien, draaien. Omdat de meesterlijke plaat je telkens optilt, rondslingert en verdwaast achterlaat. Elke duizelingwekkende luisterbeurt onthult weer iets anders en het wordt maar mooier en mooier. Als je het negende studioalbum eenmaal hebt gehoord, wil je een tijdje niet anders dan nog een muntje halen om wéér in die carroussel te stappen. Animal Collective heeft zijn optimale, verslavende en bedwelmende draai gevonden.

De wonderlijke wereld die Animal Collective voor ons, maar ook zichzelf schept, is er eentje waar de indiefreak graag in vertoeft. Het voelt er sprookjesachtig aan, ietwat vervreemdend, echter zo intrigerend dat je er steeds dieper in wilt duiken. We worden er weer kind, betreden onontgonnen gebied, waar men avontuurlijk, experimenteel en speels is. Panda Bear, Geologist en Avey Tare (zonder Deakin’) raakten er eerder zelf ook nog wel eens de weg kwijt en bleven dwangneurotisch te lang hangen in hun creatieve uitspattingen en gefreak, echter hebben nu een genuanceerder, strakker pad gelegd zodat zij en wij minder worden afgeleid door die soms erg verwarrende, extreme gekte (´Feels´ en ´Sung Tong´).

Als je in de ‘Merriweather Post Pavilion’ landschappen rondwandelt doet de omgeving minder psychedelisch aan dan in de ‘Strawberry Jam’ contreien, al blijven uitbundige kleuren door elkaar dwarrelen en zijn de abstracte soundscapes er nog steeds, alleen duidelijker afgetekend. Het Amerikaanse collectief neemt ons aan de hand mee over een onnavolgbaar knap weggetje met 11 stops, waar we aan een opzwepend, eigenzinnig mengsel van (h)eerlijke sixties pop met een warme Beatles jas, dub, hiphop en een snufje folk worden blootgesteld, vergezeld door hemelse (samen)zang.

Het verknipte folkgeluid is uitgegumt en vervangen door originele, electronische sounds en samples, drijvend op tegendraadse over elkaar heen buitelende en nu en dan zeer heftige beats, gelardeerd in schitterende melodieën. Af en toe blijft de wereld ook hangen, in mindblowing repeterende loops en gestapelde geluidjes (‘My Girls’, ‘Guy´s Eyes’) en uitrusten en ontspannend wegdromen is er ook toegestaan (´Bluish´). De zon schijnt overdonderend in het open barstende ´In The Flowers´ en ´Summertime Clothes´ en na een grootse, waanzinnig spetterende finale (´Brothersport´) landen we weer met beide benen op de aardkloot.

Sommigen van de AC-fans haken af, want zij vonden het juist zo cool dat ze er geen bal van begrepen en met de ogen dicht konden baden in die dissonante chaos. Anderen zijn verheugd, want eindelijk kunnen zij ook voorzichtig rondwaren. Het voelt er soms nog steeds ongemakkelijk tegenstrijdig, maar alles vloeit uiteindelijk toch als water door de bergen. Ik hoopte er al op en gelukkig blijkt het ook waar: Animal Collective heeft vooralsnog Dé Plaat Van Het Jaar gemaakt. Maar het is nog vroeg, laten we elkaar aan het eind van 2009 nog even spreken of dat dan nog steeds zo is. Dikke kans van wel…

Recensie: Magazine – The Complete John Peel Sessions

januari 12, 2009

De overleden Britse BBC Radio 1 DJ en mentor van alles wat maar rook naar vooruitstrevende popmuziek begon zijn carrière in ´67 als pleitbezorger van het nieuwste muzikale talent. David Bowie en Marc Bolan waren zijn eerste ontdekkingen als dé invloedrijkste radioman van de afgelopen 40 jaar. John Peel zorgde ervoor dat de succesvolle loopbanen van The Smiths, New Order, Joy Division en vele, vele andere bands een vliegende start kregen. Je kunt er de catalogus van elke willekeurige Britse popgroep op nakijken, er staat altijd wel een ´Peel Sessions´ plaat tussen.

Dat is niet anders bij Magazine uit Manchester, de legendarische new waveband van ex-Buzzcocks Howard Devoto, die hij in 1977 oprichtte kort nadat hij deze (ook te gekke) band verliet. De postpunkers brachten vier albums uit na de release van hun debuut en doorbraaksingle ‘Shot By Both Sides’ in ’78. ´Magazine – The Complete John Peel Sessions´ deelt 15 songs met ons, opgenomen tussen ´78 en ´85, maar vooral afkomstig uit hun belangrijkste periode ´78-´79-´80. De klassiekers ontbreken dan ook niet.

Nummers als ´Touch And Go´, The Light Pours Out Of Me´ en ´A Song From Under The Floorboards´ klinken anno 2008 nog steeds prangend en brengen de kille tijdsgeest goed over. Bonkende drums, een snerpende, dragende gitaarlijn, diepe basklanken, sferisch toetsenwerk en die prettige, lijzige zang van Devoto over sociale misstanden en doorspekt met flarden poëzie. En toch voel je ook de warmte, die op de studioalbums juist minder goed tot zijn recht kwam. Magazine was live erg imponerend. Als je de ´Peel Sessions´ hoort vraag je jezelf toch af waarom die nerveuze, opzwepende energie op de platen achterbleef.

Grijp deze release (overigens al van november) heel rap bij de lurven, want het materiaal op ‘Magazine: The Complete John Peel Sessions’ (EMI) is wel eens eerder verschenen, maar die boxset kun je allang niet meer krijgen. Bovendien zijn de twee unieke covers Captain Beefheart’s ‘I Love You, You Big Dummy’ of ‘Thank You (Falettinme Be Mice Elf Agin)’ van Sly and the Family Stone alleen al de moeite waard om ‘em aan te schaffen. De uiteindelijke versie van ´Boredom´, door Devoto gepend toen hij nog bij de Buzzcocks zat, is tevens een briljantje.

Je hebt ook meteen al dat schaarse, obscure live werk ineens, hoef je daar het web niet meer naarstig voor af te struinen. Het is een werkelijk prachtig eerbetoon aan de postpunkhelden van weleer, die trouwens driemalig gaan optreden in februari in de Manchester Apollo, met een vervanger voor John McGeoch die in 2004 het loodje legde.

Recensie: Chairlift – Does You Inspire You

december 31, 2008

Het muzikale universum van Chairlift – Aaron Pfenning, Patrick Wimberley en zangeres Caroline Polachek uit het New Yorkse Brooklyn – is extreem (v)luchtig. Het getuigt van een soort bedwelmende zweverigheid, een mengsel van syntpop en triphop opgebouwd uit ongrijpbare, mysterieuze en spookachtige achtergrondklanken. Deze vrienden van MGMT en Yeasayer construeren op hun debuutalbum ‘Does You Inspire You’ met oude geluiden een nieuw soort popmuziek.

Het album hinkt eigenlijk op twee benen: aan de ene kant probeert Chairlift de luisteraars met lege retro flarden te bevredigen, aan de andere kant wordt diezelfde luisteraar een mystieke, recalcitrante andere wereld ingetrokken. De plaat valt dan ook uiteen in deze twee delen.

Op de eerste helft (zeg de eerste vijf van de 11 tracks) zijn voornamelijk synthetische, mistige mijmeringen te ontdekken, die bijna te cheesy voor woorden zijn. Neem ‘Planet Health’ met zijn funky baslijn en pointillistische zang. Dat soort nummers klinken gewoon teveel als herkauwde 80’s pop en zijn derhalve saaiig te noemen, hoewel de teksten zeker wel gevat zijn.

De tweede helft – en vooruit, sporadisch op het eerste deel zoals het epische doch niet altijd doeltreffende ‘Earwig Town’ en succesvolle, prettige ipod Nano commercial tune ‘Bruises’ – wordt gered door het eclecticisme van het trio. Daar komen echt rare, mystieke tonen bovendrijven. Zoals het gekke countrynummer ‘I Don’t Give A Damn’, waarin Polachek’s doorgaans zoete, maar nu ook beklemmende vocalen door een bibberend tremolo effect worden gehaald. Die huilerige uitwerking past perfect bij het folk sentiment van de verloren liefde. En het doet allemaal nogal buitenaards en ruimtelijk aan.

In de laatste twee songs ‘Chameleon Closet’ en ‘Celling Wax’ worden met dat electronisch gemanipuleer weirde, duistere, mystieke landschappen gecreëerd in plaats van humorvolle reproducties van het verleden. Die zijn wat meer gefragmenteerd en minder toegankelijk en melodieus, pop-gewijs gezien dan. En toch zijn dit de beste tracks op de plaat, die je bovendien aan het handje meenemen naar een werkelijk bevreemdende, andere Chairlift wereld.