Archive for the ‘[ SLEEVE ] spotter’ Category

Plaatjes Kijken: Neko Case – Middle Cyclone

juni 30, 2009

nekocase_middlecyclonehsk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Neko Case – Middle Cyclone

‘Middle Cyclone’, het vijfde solo album en opvolger van de doorbraakplaat ‘Fox Confessor Brings The Flood’ (2006) van Amerikaanse zangeres en parttime-bandlid van Canadese supergroep The New Pornographers, Neko Case, verscheen in maart 2009. Met deze band wist ze een aardig poppubliek te bereiken, in haar eentje richt ze zich liever op de liefhebbers van alternatieve country. ‘Middle Cyclone’ doet zijn titel eer aan, want het album is een wervelende orkaan van 15 vlotte nummers. Ondanks haar relatieve onbekendheid bij de massa bereikte de plaat in de USA vlak na de release de derde plaats in de Billboard Album Hitlijst.

Case is niet zo’n doorgaanse, typische gitaarknuffelende countryzangeres. Muzikaal gaat de eigenwijze dame van muziekdoosjes tot grungy gitaarpartijen, ze betovert met emotievolle maar krachtige stem en ook uiterlijk ziet ze er niet uit als zo’n vroome, schattige vrouw. Case is uitgeroepen tot één van de sexiest babes in de indie. Neko Case zoekt immer het contrast op. Ook al is ze lief voor dieren en promoot ze de natuur, aaibaar en mak is ze zeer zeker niet. Neko geeft bijna in elk interview te kennen wat voor een serieuze controlefreak ze is.

Dus is Neko op de albumhoes van ‘Middle Cyclone’ te zien in een stoere, strijdbare houding. Als een gestoorde speerwerpster, blootvoets met lekkere benen en in zwarte strakke kleding geknield voor op een roestbruine oldie, d’r rode haar wapperend in de wind (van de orkaan) en een bijna angstaanjagende, vastberaden blik gericht op haar ‘prooi’. Buiten dat Case ongetwijfeld mede het concept voor het artwork heeft verzonnen, is er niet zoveel bekend. Al denken wij dat de Canadese het sensationele ‘werk’ van Tawny Kitaen in Whitesnake’s ‘Here I Go Again’ in gedachte had bij het bedenken van de hoes.

De cover heeft nogal wat aandacht gekregen en het ligt voor de hand waarom. Je ziet niet elke dag een opvallende, mooie roodharige op een gespierde autoeen Amerikaanse bak van het type Mercury Cougar uit 1968, een icoon in zijn tijd (zie deze reclamespot uit ’75 met actrice Farrah Fawcett, die overigens net overleden is) – met een hardcore zwaard in haar hand. Maar net als seks, drugs en rock ‘n’ roll zijn sexy vrouwen en auto’s ook altijd onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Want dat verkoopt gegarandeerd.

Neko’s pittige karakter schijnt niet alleen in de hoes door, ook in de songs. Zo hangt ze in het nummer ‘People Got A Lotta Nerve’ bijvoorbeeld de diva uit en zingt dat ze een ‘mannenverslindster’ is. Ze gaat achter jongemannen aan. In dat opzicht klopt het precies dat Neko Case op een Mercury Cougar zit met een zwaard in de aanslag. Het type auto lijkt nadrukkelijk gekozen. Cougar vertaald zich namelijk naar poema. Snap je? Jagen, speer, prooi, poema? Ergens anders is ze een olifant, een killer walvis en even later zingt ze ‘ik ben een dier, jij bent ook een dier’.

Persoonlijk vinden we de typografie – die er slordig lijkt opgezet met een paar stiften – behoorlijk lelijk. Maar ach, wie let daar nou nog op als er een onverslaanbare drieëenheid van een macho slee, middeleeuws wapen en een pikante roodharige te zien is? De hoes van ‘Middle Cyclone’ is afgezien daarvan een behoorlijk sterk beeld.

Advertenties

Johnny Cash, American Recordings

juni 18, 2009

johnny cash
 
 
 
Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Johnny Cash – American Recordings

Toen Johnny Cash tekende bij producer Rick Rubins nieuwe American Recordings label in 1992, nadat hij Def American had opgedoekt, was dat het begin van één van de meest gevierde artistieke herrijzenissen in de muziekgeschiedenis. Het eerste resultaat van de samenwerking, het sterke album ‘American Recordings’ dat in april 1994 verscheen, bestaat uit spaarzame, donkere en persoonlijke Americana interpretaties van een verzameling zeer diverse, eclectische bestaande songs door The Man In Black.

Rubin nam het leeuwendeel van de songs (van Cash zelf en andere artiesten) in Cash’ woonkamer van zijn huis in Nashville op, al werden ‘Tennessee Stud’ en ‘The Man Who Couldn’t Cry’ vastgelegd in de Viper Room, de destijdse nachtclub van acteur Johnny Depp in Los Angeles. De sobere akoestische gitaar arrangementen en zijn magnifieke, diepe en melancholieke stem kwamen volledig tot zijn recht op deze intieme schijf, een menselijk document over humor, ontroering, wanhoop en openhartigheid in het leven.

Cash’ ‘American Recordings’ zorgde voor een grootse comeback en gaf zijn immense carrière opnieuw leven. Het werd door critici bestempeld als zijn meest indrukwekkende plaat sinds de jaren zestig. Hij verdiende er een prestigieuze Grammy Award mee in 2004 voor Beste Moderne Folkalbum en de plaat kwam terecht op 364 in de Rolling Stone lijst van de 500 Beste Albums Ooit. Maar bovenal wist hij er een compleet nieuwe, jongere generatie mee aan zich te binden. De video voor eerste single en traditional ‘Delia’s Gone’ (geregisseerd door Anton Corbijn en met model Kate Moss) werd veelvuldig gedraaid door MTV en kwam zelfs voor bij het populaire tweetal Beavis en Butt-head.

Als je de albumhoes bekijkt springt het woord ‘bijbels’ vrijwel direct in het hoofd. Alles aan de afbeelding is onheilspellend, dreigend en krachtig, met een Johnny Cash die er tegelijkertijd als priester èn zondaar uitziet met zijn lange zwarte jas, uittoornend voor een licht bewolkte lucht in een veld met twee bewakende hondjes aan zijn voeten. Hij oogt als een perfecte bode van de ondergang of het noodlot, een soort hoofdrolspeler in een spannende, spookachtige film, met zijn handen in een circelvorm voor zich uitgestoken alsof hij ze over een toekomst voorspellende glazen bol houdt.

Voor zijn ‘bezwering’ van duistere Americana werd deze hoesfoto genomen door fotograaf Andy Earl tijdens Cash’ Australische tournee met Kris Kristofferson in 1992. Earl wilde Cash eigenlijk staand op een spoorlijn op de gevoelige plaat vastleggen, maar omdat er iets niet werkte qua belichting werd er gekozen voor een aangrenzend tarweveld. De griezelige hondjes, met hun omgekeerde zwart en wit gekleurde vacht, kwamen er per toeval bij. De viervoeters wandelden spontaan de set op en positioneerden zichzelf. Earl vond het wel kloppen en heeft het zo gelaten. Misschien dat Cash’ gelaatsuitdrukking er zo verwrongen uitziet door de reeks onverwachte gebeurtenissen?

De enige twee elementen op de albumhoes die wel ècht bedacht en geen geluk bij een ongeluk waren, zijn de sepia kleur van de foto (om de afbeelding dat nostalgisch ouderwetse gevoel mee te geven, het oude testament) en de forse, witte typografie van Johnny’s achternaam ‘Cash’. Op de opvolgende ‘American Recordings’ albums – er zijn er zes verschenen – is dit in stand gehouden en het concept definieerde Cash’ moderne smoelwerk.

Op ‘American III’ is Cash bijvoorbeeld backstage en toont dat hij ondanks zijn leeftijd nog steeds een veel optredend artiest is. De hoes van ‘American IV’ laat zien hoe de Amerikaanse, legendarische singer-songwriter wordt opgeslokt door de kleur waar hij om bekend staat, zwart. Alsof hij zijn verlossing op de harde manier heeft verdiend en klaar is om zijn goddelijke maker te ontmoeten. Met het uitbrengen van de rest van de ‘American Recordings’ reeks, resoneerde Cash zijn persoonlijke mythologie en op handen zijnde overlijden (in 2003) sterk, met als één van de ultieme voorbeelden de hartbrekende Mark Romanek-clip voor zijn cover van Nine Inch Nails’ song ‘Hurt’. Het bleek achteraf een perfect vaarwel van meester Johnny Cash. 
 
 
 

Plaatjes Kijken: Editors – An End Has A Start

juni 11, 2009

editors_theendhasastarthsk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Editors – An End Has A Start

‘An End Has A Start’, de tweede schijf van de uit Birmingham afkomstige indie postpunk rockband Editors en de opvolger van hun erin knallende debuut ‘The Back Room’ uit 2005, verscheen op 25 juni 2007 (17 juli in de USA). Was die eerste nog een schitterende staalkaart van de platenkasten van de bandleden (zonder ongeïnspireerd kopieergedrag) met songs tjokvol creatieve hooks en vindingrijke wendingen, op de tweede bleek dat Editors was gegroeid naar een eigen geluid (mede te danken aan producer Garret ‘Jacknife‘ Lee, ook de grote man achter Snow Patrol en Bloc Party’s tweede doorbraakplaten).

‘An End Has A Start’ klonk weidser en epischer dan de hermetische, donkere, vaak gejaagde voorganger. Het album was een groot succes met strakke singles als ‘Smokers Outside The Hospital Doors’, de titeltrack en ‘The Racing Rats’ en overtrof het debuut met gemak. De schijf was te vinden in de hogere regionen van vele jaarlijsten, kwam in de UK terecht op de 69ste plek en bereikte de platina status. Aan het einde van 2007 waren er wereldwijd 600.000 exemplaren verkocht. Niet slecht voor een nog redelijk onbekende band.

De albumhoes toont een wazig beeld, waarvan je niet meteen doorhebt wat het voorstelt. Er doemen beelden in ’t hoofd op van grote stadions. Feitelijk is het een verzameling van industriële gebouwen, gefotografeerd door beroemd koppel Bernd & Hilla Becher. Er zijn diverse boeken met hun foto’s van gebouwen en objecten te koop (zie hier).

Hoesontwerper Idris Khan – gevraagd door Editors management – plaatste de diverse foto’s (van onder meer een gasboortoren) digitaal in lagen over elkaar met hulp van de mensen van Tom Hingston Studio in Londen, zodat er een sereen, uit focus lijkend geheel ontstond, wat Idris kenmerkende stijl is. Khan werkt normaal met zwartwit beelden. Dit was het eerste ontwerp waarin hij kleur gebruikte. Bekijk nog wat van zijn ontwerpen op deze website of hier. Er staat veel moois tussen in dezelfde lijn als de Editors hoesafbeelding.

Het lettertype op de cover is eenvoudig, kaal en tevens industrieel gehouden om het desolate concept en de wat afstandelijke aanhorende, slepende muziek te ondersteunen. Alle singles van het album kregen een andere, vergelijkbare prachtige hoes toebedeeld en ook de bandsite werd omgezet naar het ontwerp. Een hele mooie visual die de Editors ‘An End Has A Start’ een extra, passende dimensie meegaf.

Plaatjes Kijken: Boards Of Canada – Music Has The Right To Children

juni 4, 2009

boc_musicrighttochildrennk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Boards Of Canada – Music Has The Right To Children

‘Music Has The Right To Children’ is het debuutalbum van Schots (en dus niet Canadees) electronisch muziekduo Boards Of Canada (BOC) en verscheen op 20 april 1998 via Warp Records in Europa (op 20 augustus in Amerika door Matador). Hoewel BOC’s blauwdruk voor ambient luistermuziek – warme en rake retro klinkende electro-synth instrumentals met midtempo hip hop beats, af en toe wat licht scratchwerk en duistere vocaal samples – niet echt revolutionair was, sloeg ‘Music Has The Right To Children’ in als een bom.

Net als het vroege werk van Aphex Twin of Autechre (beiden op Warp) wist ook BOC hun Amerikaanse voorlopers te evenaren en een krachtige, melancholische bezieling over te brengen met hun anderszins ingewikkelde en machinaal gemaakte, psychedelische muziek. De twee broers – die afgezonderd resideren in de overblijfselen van een commune ergens diep in het bos van Schotlands Pentland Hills – creëerden een breed en gelaagd, rustgevend schilderij met uitwaaiierende, avontuurlijke soundscapes, opgebouwd uit samples die vaak letterlijk uit het leven zijn gegrepen.

Zo hoor je bijv. echte kinderstemmetjes en speeltuingeluiden voorbij komen, werden er opnames gemaakt in de natuur, zijn er subliminale en ‘omgekeerde’ boodschappen te ontwaren en verwijzingen naar religeuze stromingen en mathematische patronen. Het droeg bij aan de mystiek rondom de plaat (ze werden zelfs beschuldigd van brainwashen) die in ’98 werd bestempeld als één van de top- en doorbraakalbums in het electronische genre. De plaat veranderde ‘het gezicht’ en fungeerde als een poort voor diegenen die het genre ontoegankelijk vonden.

Marcus Eoin en Michael Sandison hielden alles in eigen hand: de opnames voor en de productie van het album en ook het artwork voor de dubbel cd en LP release (geperst bij Damont Adio Limited) werd door hen zelf verzonnen. Je krijgt in dit genre standaard vrij koele en cleane hi-tech beelden op je afgestuurd, maar juist daarom valt het artwork van deze plaat zo op. Het album is naast een innovatieve plaat wegens de warme, akoestische instrumentatie tevens een afwijkend album qua artwork. De tegenstrijdigheid in de tracks (electronisch vs. akoestisch, oftewel in de koude winter beluisteren als de zon over de bergen schijnt) wordt perfect weergegeven.

We zien een knus ogend, nostalgisch tafereel. Als je de hoes van een afstandje bekijkt denk je dat je te maken hebt met een vrolijk, nonchalant freakfolkalbum, maar de vale kleuren en zeven gezichtsloze figuren voor een vage achtergrond geven de kijker uiteindelijk toch een vrij ongemakkelijk gevoel mee. ‘Music Has The Right To Children’ is een eerbetoon aan de jeugd. De hoes en de muziek hebben een tijdloze ‘feel’. De onbezonnenheid en onschuld van het opgroeien als kind straalt door, maar dat is ook een beetje eng natuurlijk. Die gevoelens zitten verpakt in de coverfoto (waarvan we de origine helaas niet kennen). Het gekozen lettertype, een verwijzing naar de Bauhaus periode, ondersteunt het ‘lieve’ uiterlijk.

‘Music Has The Right To Children’ verscheen in 2004 opnieuw in één verpakking met het album ‘Twoism’ (de eerste officiële release van BOC uit 1995) bij PIAS. De plaat hield dezelfde albumhoes, alleen de labels waren iets anders gekleurd dan de originele persing. Van Pitchfork kreeg dit pakketje een dikke tien…

Plaatjes Kijken: Marilyn Manson – Mechanical Animals

mei 28, 2009

marilynmanson_mechanical

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Marilyn Manson – Mechanical Animals

‘Mechanical Animals’ is het derde studioalbum van shockrocker Marilyn Manson, uitgebracht op 15 september 1998. Hoewel de vier singles ‘The Dope Show’, ‘Rock Is Dead’, ‘I Don’t Like the Drugs (But the Drugs Like Me)’ en ‘Coma White’ hem wereldwijd succes brachten – zowel in de underground als de mainstreamis het ook zijn meest bekritiseerde werk. Een knetterharde (glam)rockplaat vol met vlijmscherpe riffs, spooky electronica en kwade teksten. Deze week brengt de industrial godheid zijn nieuwe plaat ‘The High End Of The Low’ uit, dus werpen wij een blik op één van zijn oudjes.

Het gebeurd niet vaak dat een (award-winnende) albumcover zovéél publiciteit krijgt, maar dat kun je natuurlijk wel aan een controversiële artiest als Manson overlaten. Toen ‘ie uitkwam viel men extreem over de afbeelding, in tegenstelling tot voorheen alleen de opruiende muziek die hij maakt. Grote supermarktketen Wal Mart wilde de plaat niet verkopen (de cijfers bleven dan ook ietwat achter op zijn best verkopende cd ‘Antichrist Superstar’) en de cover moest bovendien worden aangepast voor Japan. Het probleem was niet de naakte, alien-achtige figuur, zoals in Amerika, maar de zes vingers aan zijn linkerhand. Japanners houden kennelijk niet van lichamelijke misvormingen. Alleen die hand werd aangepast voor de Japanse markt.

Wonderbaarlijk genoeg is er bijna niks gefotoshopt aan de hoesfoto, geschoten door wereldberoemde fotograaf Joseph Cultice uit New York. Manson is naakt beschilderd met latex verf. Marilyn’s ‘borsten’ zijn speciale protheses (naar verluidt zijn de neptieten nu in het bezit van acteur Johnny Depp?!) en hij draagt een plastic afscherming voor zijn genitaliën. De bodypaint en de borsten zijn gedaan door regisseur George Lucas’ Industrial Light and Magic studio. Op de originele kiek had Manson nog tepels, maar deze zijn verwijderd nadat Paul Brown (dezelfde ontwerper als ‘Antichrist Superstar’ en andere Manson albums) suggereerde dat het er zonder buitenaardser en androgyner uit zou zien.

‘Mechanical Animals’ is een conceptplaat, de opvolger van ‘Antichrist Superstar’. Mason verklaarde het zo: “Op de voorganger vergelijk ik mezelf met Lucifers val uit de hemel. Deze plaat gaat meer over wat er gebeurd als ik op aarde land en probeer erbij te horen als mens.” Later associeert hij zichzelf met Jesus Christus in plaats van de duivel.

Het hoesidee is gebaseerd op David Bowie-albums uit de jaren ’70, denk vooral aan zijn Ziggy Stardust periode. Omdat er op deze plaat meer glamrock te horen is dan voorheen is dit verwerkt in de cover. Bowie nam een bepaald ‘karakter’ aan per plaat en albumhoes. Manson ‘speelt’ twee rollen: een verslaafde glamrocker en androgyne alien genaamd Omēga (te zien op de achterkant van het cdboekje en in de vinylversie) en een facet van zichzelf genaamd Alpha. Zeven van de 14 songs komen vanuit het perspectief van de fictionele band Omēga en de Mechanical Animals, de andere zeven van Manson zelf.

Er zijn nogal wat verborgen boodschappen en betekenissen verwerkt in de hoes die draaien om het getal 15. De 1 en 5 die de zesvingerige hand aangeeft verwijst naar Marilyn’s verjaardag (5 januari), het logo MARILYN MANSON met het cijfer 1 als i en een 5 voor de letter s. de duiveltarotkaart XV, één track draagt de titel ‘New Model No.15’, de cd – indien afgespeeld in een computer – bevat 15 tracks en het album verscheen op de 15e (oftewel op zijn Amerikaans 9/15, 9+1+5=15). En zo zijn er nog wel meer. ’15’ zal opnieuw centraal staan in het artwork voor en de tracks op zijn nieuwe plaat.

Plaatjes Kijken: Dinosaur Jr. – Farm

mei 21, 2009

dinosaurjr_farmhsg440

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Dinosaur Jr. – Farm

Deze cover van Dinosaur Jr.’s nieuwe album ‘Farm’, dat op 23 juni verschijnt bij Jagjaguwar, is een serieuze kandidaat voor ‘albumhoes van het jaar 2009’. De plaat is er nog niet, maar er wordt nogal op gewacht, gezien het de eerste schijf in 16 jaar tijd is van de legendarische, Amerikaanse veteranenband met alle drie de originele leden gitarist/zanger J. Mascis, bassist Lou Barlow en drummer Murph weer op hun oorspronkelijke plek.

En al zou het songmateriaal uiteindelijk tegenvallen de eerste single ‘I Want You To Know’ (hier nog gratis te downen) was in elk geval een prima voorsmaakje en er is gezegd dat ‘ie weer old school gaat klinkendan nog schaffen wij dit album gewoon aan op vinyl. Alleen om die ge-wel-di-ge hoes!

De kunstenaar die verantwoordelijk is voor deze freaky, hallucinante cover met een soort van onderweg zijnde boom-reuzen is Marq Spusta. En hoewel zo her en der werd gesuggereerd dat de man wel drugs tot zich heeft moèten nemen om met zoiets op de proppen te komen, daar is niets van waar. Al wordt je er nogal high van als je ‘em bekijkt. Zo vertelde Spusta in een recent interview: “Veel van mijn karakters hebben een tevreden zachtheid over zich, met alles dat zich leent om aan stoned zijn te denken.”

J’s manager stapte op Marq Spusta af, nadat hij een twee jaar oude schets had gezien van een vergelijkbare afbeelding op diens website. Ze wilden er kleur aan toevoegen en het ontwerp uit laten breiden door Marq. Hij ging vervolgens aan de slag. Het idee achter de hoes? Toch wel behoorlijk spacy: “Het gaat over wezens op de aardkloot die mensen voorbij de verontreiniging dragen; het is een massa uittocht van verlichting. Het beeld neemt de kijker ergens mee heen, maar legt niets uit. Het is mystiek, maar de menselijke figuren maken het persoonlijk,” aldus de ontwerper.

En waar zijn die wezens naar op weg? Kennelijk nemen de boom-reuzen de mensen mee naar hun versie van de aarde: “De natuur is krachtiger dan wij zijn en kan ons verstikken, maar de figuren op de hoes zijn gidsen om de mensen uit het donker te halen.” Ach, schattig. Het is kenmerkend voor Spusta om onschuld in zijn ontwerpen te verwerken. Zo was zijn eerste illustratie er eentje voor een kinderboek. Die onschuldige elementen trok hij door in zijn rock ‘n’ roll kunststukken. Het werkt prima samen met Dinosaur Jr. snoeiharde rocksongs.

Marq Spusta had natuurlijk ook voor een cover kunnen kiezen met een bandfoto of tekening van de drie Dinosaur Jr. leden, zoals zoveel rockbands doen. Maar hij vindt juist dat je met illustraties een bepaalde tijdsperiode van een groep kunt vatten, zonder een relatie te leggen met hoe oud de muzikanten er onderhand uitzien, wat voor kapsel ze hebben of wat ze dragen. Het overstijgt cultuur. Als hij er wèl voor had gekozen, dan zou J. in Marq’s ogen “niet menselijk” zijn geweest. Hij zou zijn neergezet als een “grote, witte, ruigharige vogel die in de hoek de dingen in de gaten houdt.” Mmm, was misschien ook best grappig geweest…

Manic Street Preachers ‘Journal For Plague Lovers’ hoes gecensureerd

mei 15, 2009

manicstreatpreachershskWie had dat nou gedacht? Dat Manic Street Preachers controverse zou veroorzaken? En toch is het zo. De cover van hun nieuwe album ‘Journal For Plague Lovers’ – een schilderij van kunstenares Jenny Saville – wordt door een aantal van de grootste supermarktketens in Groot Brittannië geweigerd, omdat mensen er aanstoot aan zouden kunnen nemen. Het negende album van de Welshe band komt maandag uit en zal dus te krijgen zijn in een andere, kale hoes.

De afbeelding die is gebruikt, Saville’s portret ‘Stare’ uit 2005 van een jongeman met een wijnvlek aan de zijkant van zijn gezicht, zou ogen alsof er bloedspetters op zitten. Zanger James Dean Bradfield noemde de situatie in een interview met BBC 6 Music “volstrekt bizar.

De frontman spreekt bovendien de insinuatie tegen dat Saville, die ook de hoes voor Manic’s album ‘The Holy Bible’ (1994) schilderde, bewust een bloederig gezicht wilde afbeelden. “Dat komt door haar penseelwerk. Als je haar werk kent, daar zit een heleboel oker met bruin en rood met bruin in, dus misschien willen mensen ons wel meer als provocerend zien dan we zijn. Wij zagen alleen een prachtige, modernere versie van Lucian Freudesque penseelstreken.”

De Manics voelen zich oneerlijk behandeld, vooral ook omdat je wel overal blote billen en wapens op bladen en cd-hoezen ziet in de supermarkten en er dan zo’n ophef ontstaat over een kunstwerk. De vier grootste ketens – Sainsburys, Tesco, Asda en Morrisons – verkopen het album dus in een andere cover (uitgegeven door Manics label). Zij vinden de hoes te ‘ongepast’ om zo maar op de planken te zetten.

Voor het album zetten de bandleden teksten van ex-bandlid Richey Edwards op muziek, 14 jaar nadat de 27-jarige verdween uit het Embassy Hotel in Londen. Het artwork is een integraal onderdeel van het project en derhalve zou de popgroep het zelf ook nooit hebben aangepast. “Het is ronduit belachelijk dat de supermarkten denken dat zoiets iemands psyche op een verkeerde manier zou raken,” aldus een pissed off Bradfield.

Ach joh, je moet maar zo denken: er bestaat geen negatieve publiciteit en waarschijnlijk helpt het je verkoopcijfers omhoog… Toch? Wel zuur dat de ketens zoveel macht kunnen uitoefenen. Dat dan weer wel.

Plaatjes Kijken: Gallows – In The Belly Of A Shark

mei 14, 2009

gallows_inthebellyofashsk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Gallows – In The Belly Of A Shark

Laten we maar eens mooi synchroon een Gallows plaatje uit de kast trekken, gezien ze Band van de Week zijn bij Spinner! We gaan voor de afwisseling voor een single. Gewoon, omdat deze hoes ons zo aanspreekt, meer dan de albumcover eigenlijk. ‘In The Belly Of A Shark’, dat in de zomer van 2007 verscheen, is een van de hoogtepunten op het debuutalbum ‘Orchestra of Wolves’ (2006) van de Britse punkers. Het is de tweede single van de plaat net na de re-release door Epitaph (de oorspronkelijke uitgave was er al in 2005 met een andere cover).

Met deze single wist Gallows naam te maken. ‘In The Belly Of A Shark’ kwam uit als 7 inch plak en als uitklapbare cd-single. Beide hadden een even zo vette papieren omhulsel aan de binnenkant, die ofwel de gekleurde vinylplak of de cd verpakten. De volledige verpakking bekijk je hiero.

De single cover komt van Dan Mumford. Hij deed eerder ook al het artwork voor de hoes van de eerste ‘Orchestra Of Wolves’ release en maakte daarna een gelimiteerde concertposter voor de band voor hun show in de 100 Club in maart 2007. Die bewuste poster beviel Gallows zo goed, dat ze hem vroegen of ze deze als hoes mochten gebruiken voor hun eerste single ‘Abandon Ship’. Mumford vond dat ‘ie er nog wat beters van kon bakken.

Deze eerste single heeft dezelfde omlijsting (layout en verpakking) gekregen van Dan Mumford in het kader van het hooghouden van zijn concept: een spin en een octopus in een wilde zee. Deze – met de haai – vonden wij toch net ietskes gaver. Dan Mumford en de band waren van mening dat ‘Abandon Ship’ goed bij de ruwe bandsound paste, dus kreeg hij alle vrijheid van het label om zijn eerste idee als basis te nemen en verder uit te werken tot de hoes van de tweede single.

Mumford kreeg het voor elkaar om inderdaad een nog sprekendere en spraakmakendere cover te maken. Hij veranderde de karakteristieke, eenvoudige kleurige lijnen (een soort noodles?) in een fantastisch beeld van een haai in een onstuimige zee, die in een schip hapt en een bloedbad aanricht. De naam van de single met het kenmerkende Gallows logo werd als transparante sticker op de hoes geplakt samen met de barcode, om het beeld zo volledig mogelijk en indrukwekkend te houden.

De tweede Gallows schijf ‘Grey Britain’ is onderweg, binnenkort lees je de recensie op Spinner.

Stream ´Wilco (The Album)´ in zijn geheel voor nop

mei 14, 2009

wilco_thealbumhs
Gisterenavond stond ineens de volledige audiostream van Wilco´s nieuwe album ´Wilco (The Album)´ online! Om gratis te luisteren. En die hele shizzle komt pas op 30 juni uit. Blijkbaar is er toch een exemplaartje van de nieuwe plaat per ongeluk op het internet verzeild geraakt, dus besloot de band om dan maar zelf meteen een redelijk fatsoenlijke versie online te zetten. Hoeven de Wilco-fans niet meer naar de illegaal gelekte versie te zoeken.

Je kunt ´Wilco (The Album) vinden op een extra aangemaakte pagina van de officiële bandsite. Jammer genoeg is het geen ultra geweldige geluidskwaliteit en af en toe blijft de speciale speler heel even steken (we nemen aan als de site even te goed bezocht wordt), maar het is prima te doen om de nieuwsgierigheid vast te temperen. Hej, het is de nieuwe Wilco!

En we weten het nu echt zeker, dat duet ´You And I´ van Jeff Tweedy met Feist, dat staat erop. Het is net zo mooi als we al verwacht hadden. Ow en de albumhoes hadden we je ook nog niet laten zien (bovenin, niet te missen). Die is fucking hi-la-risch! Het lijkt wel een flauwe grap. Een kameel met een oranje feesthoedje staat op een balkon met uitzicht op een fabriek. Met zes legen stoelen en een oranje taart op een bijzettafeltje ervoor. De kameel kijkt ongeïnteresseerd naar links. Meer ist niet. Maar hoe geniaal! Net als de albumtitel overigens.

Stream ‘Wilco (The Album)’ hier. Wilco vraagt vriendelijk of diegenen die het album toch illegaal downloaden wat willen doneren aan de Inspiration Corporation, een van de favoriete goede doelen van de band, die daklozen en lagere inkomens gezinnen in Chicago helpt, de thuisstad van de Amerikanen.

De preview ´Wilco (The Song)´ vonden we al goed. Een eerste oordeel na één luisterbeurt: vintage Beatleske Wilco-liedjes met een toefje psychedelica en rock, dat The Album… Wat vinden jullie ervan? Laat ff je mening achter hieronder?

Plaatjes Kijken: You Am I – Dilettantes

mei 7, 2009

youami_dilettanteshsk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

You Am I – Dilettantes

‘Dilettantes’, de achtste studioplaat van Australische rockband You Am I, verschijnt op 13 september 2008. Bekend staand om hun smerige garagerock sound, maakte de groep op dit album een ommezwaai naar prachtige, folky en country-eske songs, een beetje waar hun iconische frontman, gitarist, zanger en hoofd songwriter Tim Rogers zich mee bezig hield op zijn soloplaten. De band klonk niet meer zo ‘gemeen’, maar bracht juist op een melancholieke en ingetogen toon Rogers’ geëngageerde teksten over.

Het album stormde in eigen land de ARIA Australian Music hitlijst binnen en belandde direct op de eerste plek. Single ‘Erasmus’ van de plaat werd een dikke hit. De andere twee singles, ‘Beau Geste’ en ‘Givin’ Up And Gettin Fat’, moesten het met wat minder aandacht stellen, maar deden het uiteindelijk ook aardig.

Tim Rogers besloot het album ‘Dilettantes’ te noemen, nadat hij hoorde dat Duke Ellington de term gebruikte om zijn constante stroom aan briljante bands te omschrijven. De term is volgens hem dubbelzijdig: aan de ene kant een beschrijving van mensen die ploeteren om hun waardering voor kunst en cultuur over te brengen, aan de andere kant refererend aan diegenen die er een diepe liefde voor kunstwerken of performers op na houden.

De albumhoes van ‘Dilettantes’ toont een romantische illustratie, gecreëerd door Ken Taylor, die ook aan het artwork voor Tim Rogers’ soloplaten werkte naast voor een heleboel andere internationale en lokale rockhelden. Tim, de band en Taylor deelden een voorliefde voor de kunst van Aubrey Beardsley en kwamen tot de gezamenlijke conclusie dat deze klassieke look perfect bij de muziek zou passen.

Ken Taylor wilde ook echt vasthouden aan het handgemaakte uiterlijk en tekende de afbeelding en schreef de letters zelf. Het moest doen denken aan de authentieke kunstvormen die werden gemaakt voor Oscar Wilde’s toneelstukken. Op de hoes staat een afgematte ‘knutselaar’ (dilettante) die het schrijfwerk van haar artiesten naleest, terwijl er tranen over haar wangen biggelen. De vogel aan haar linkerkant (voor de kijker) voegde Taylor alleen toe, omdat hij het vond passen in het plaatje. Het pauw patroon onder aan haar jurk is een directe link naar Beardsley’s kunst.

Dat Taylor koos voor de wit/zwarte afbeelding van de vrouw op een rood ondervlak, komt voort uit zijn zwak voor oude Japanse houtgesneden prints. You Am I wilde ook graag een cover die nadrukkelijk afweek van de voorgaande platen, waarop foto’s van de leden zelf zijn te zien of een ander object, wegens de veranderde muziekstijl. Lijkt ons prima gelukt!

Bekijk nog ff een interview met You Am I door Symon Parnell (Oath Magazine) over het opnameproces voor ‘Dilettantes’.

Plaatjes Kijken: Queens Of The Stone Age – Era Vulgaris

april 30, 2009

qotsa_eravulgarishs

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Queens Of The Stone Age – Era Vulgaris

‘Era Vulgaris’, het vijfde album van Amerikaanse rockband Queens Of The Stone Age, verschijnt op 11 juni 2007. Op de plaat horen we net als op de vorige vier wederom die kenmerkende kolossale gitaarakkoorden met de meest vluchtige, slimme hardrock melodieën voorbij komen. De plaat is knoe-rend-hard, dankzij spil Josh Homme, de ongeduldige initiatiefnemer achter de altijd roulerende cast van muzikanten die samen de band vormen.

Qua muziek grijpt Homme terug op zijn meest donkere roots. Op deze QOTSA-plaat injecteert ‘ie je oren met riffs die herinneren aan de rauwe woestijnsound uit de Kyuss-dagen, aangevuld met vele lagen powergitaren en explosieve orgel uitspattingen. In eerste single ‘Sick, Sick, Sick’ spuugt The Strokes‘ Julian Casablanca zijn vocalen uit over een keiharde muur van geluid. Maar er is ook een andere kant te ontwaren. Mark Lanegan’s fluwelen zanglijnen in het funky ‘Make It Wit Chu’ worden bijv. kracht bijgezet door Tempations-achtige koortjes.

Het album kwam hoog binnen in de Billboard 200 hitlijst (op 14) en verkocht 52.000 exemplaren in de eerste week. Dat was een stuk minder dan de voorganger, waarvan er destijds meteen 91.000 de deur uitvlogen. In ons land kwam ‘ie binnen op nummer 7 en wij waren in tegenstelling tot andere landen wat milder van oordeel. Over het algemeen sloeg deze plaat dus slechter aan dan ‘Lullabies to Paralyze’.

Wie die cover heeft verzonnen voor ‘Era Vulgaris’ mag van ons een pets voor zijn hoofd hebben. Foeilelijk, is tenminste ons oordeel. Anderen vinden ‘em weer schitterend. Het is in elk geval een kwestie van smaak. Wij krijgen gewoon schele koppijn als we er naar kijken. Dat knalroze ondervlak, die twee ultra kleurige gloeilamp poppetjes (eentje verkleedt als piraat met een houten beentje genaamd Patchy en de ander vrolijk rokend met een sigaret in zijn pootjes die Bulby heet) en dat schreeuwerige lettertype. Maar goed, het album heet dan ook ‘Era Vulgaris’ en het woordje vulgair zit er al ingebakken, hoewel het Latijns is voor ‘algemeen of ordinair tijdperk’.

Het idee voor de cover komt van Jason Noto, uit de getalenteerde stal van Morning Breath Inc. Het management van Interscope Records had al een relatie met deze ontwerper, omdat Noto ook heeft gewerkt aan albumhoezen voor andere artiesten op het label, en vroeg hem er ook een te maken voor ‘Era Vulgaris’. Noto stuurde eerst wat persoonlijke voorbeelden van zijn werk in, zodat Homme kon kijken of hij het zag zitten. Homme vond een pagina uit hun boek ‘The Early Bird’ helemaal geweldig. Het was een retro jaren ’50 en ’60 advertentie-stijl illustratie.

Noto en Homme klikten nogal, kennelijk deelden de twee de waardering voor nostalgische kunst, maar ook een gevoel voor fucked up humor. Samen besloten ze die bizarre vintage vibe en de schattige karakters te verwerken in de hoes, met het onderliggende doel de fans te verleiden zich vervelende gewoontes aan te leren (zoals roken, de piraat zou kunnen staan voor het illegaal downloaden). Homme kwam zelf met het plan er gloeilampjes van te maken. Rob Noto liet Liam Lynch (ook te horen in de backing vocals) de illustraties maken en stak de hoes vervolgens in elkaar.

Qua typografie nam hij een oud Engels lettertype, Blackmoor. De Q is afgekeken van de hoes van ‘Songs for the Deaf’, om toch een soort van link te leggen met de eerdere platen. De gloeilampjes van de hoes en de artwork stijl werden gebruikt voor al het promotionele materiaal voor het album, inclusief een introductie video. Check de bandsite maar eens, de uit te printen gloeilamp, het verkooppraatje van Bulby of de poster voor single ‘3’s and 7’s’. Al met al een intrigerende plaat met een hoes die de aandacht vangt. Het beste te bekijken op vinyl albumformaat, natuurlijk.

Plaatjes Kijken: Pantera – Vulgar Display Of Power

april 24, 2009

pantera_vulgardisplayhs

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Pantera – Vulgar Display Of Power

Pantera’s zesde studioalbum ‘Vulgar Display Of Power’ verscheen op 25 februari 1992. Als één van de meest invloedrijke heavy metal albums van de jaren ’90 en tevens één van de beste Pantera-platen (met vlammende nummers als ‘Fucking Hostile’, ‘No Good (Attack the Radical)’, ‘Mouth For War’, ‘This Love’ en grote hit ‘Walk’), wordt er ook wel gezegd dat de schijf een grote rol heeft gespeeld in het definiëren van de post-trash metal. Dat zat ‘em in de langzamere tempo’s en het incorpureren van een hardere vocale stijl. Het was dan ook hun eerste album met de verplichte sticker ‘Parental Advisory Explicit Lyrics’.

Het album telt 11 songs vol brute kracht. De heavy metal werd nog heavier, de agressie nog agressiever. Maar de band was tegelijkertijd in staat om de negatieve aspecten van het genre – haat, boosheid, geweld en wanhoop – om te turnen naar een positievere gedachtengang. De plaat mag zich onder de klassiekers scharen en werd flink opgepikt. MTV’s ‘Headbangers Ball’ gebruikte flarden van de songs voor hun intro en outtro, zoals Anselmo’s geschreeuwde ‘Hostile’ (te horen aan het eind van ‘Fucking Hostile’). ‘Rise’, ‘Regular People (Conceit)’ en ‘Mouth Of War’ werden gecoverd door Robert Prince voor de populaire game ‘Doom’. Een cover van ‘This Love’ voor ‘Doom II: Hell On Earth’.

De albumtitel ‘Vulgar Display Of Power’ is onttrokken aan een regeltje uit de griezelfilm ‘The Exorcist’ (1973). Als priester Damien Karras Regan MacNeil (oftewel de boze geest die haar lichaam had ingenomen) vraagt om zichzelf te verlossen van de duivelse kracht, antwoord Regan “that’s much too culgar a display of power.” Het album stond op de 44ste plaats in Billboards Album hitlijst en behaalde de dubbel platinastatus in 2004. Q Magazine benoemde de schijf tot één van de 50 Beste Heaviest Albums Ooit.

Het is toch wel één van de betere voorbeelden van hoe een albumhoes perfect de muziekstijl van een plaat over kan brengen, wat in dit geval een shitload aan agressieve metal is. Natuurlijk, de meerderheid van de thema’s voor covers van metal albums is donker en gewelddadig. Maar bij dit album is het op een eenvoudige, doch tijdloze manier gedaan, met wellicht een kleine humoristische knipoog. De muziek, de front afbeelding en de rode (razernij) titel letters sluiten naadloos op elkaar aan. Als je de songs luistert, voelen ze inderdaad als een loeiharde vuistslag in het gezicht.

Het ontwerp voor de cover, gemaakt door Larry Freemantle, is dus simpel maar zeer doeltreffend. Zijn idee om een iemand zich in het gezicht te laten slaan werd verwerkt tot albumhoes door Bob Defrin. De coverfoto werd geschoten door Brad Guice. Er deden twee roddels de ronde over wie nou de klap in ontvangst nam en uitdeelde. Er werd verondersteld dat zanger Phil Anselmo sloeg. De ene was dat hij een gast mepte voor 10 of 100 dollar per vuistslag. Het zou hem 6 tot 30 stompen hebben gekost om tot een goeie kiek te komen. De tweede was dat een fan zich vereerd voelde te worden geslagen door Anselmo en zich vrijwillig voor zijn bakkus liet meppen.

In maart 2004 kwam er pas helderheid: Pantera was niet aanwezig bij de fotoshoot. Platenmaatschappij Atco Records had in eerste instantie enorm lelijke afbeeldingen gestuurd van boksers die elkaar de hersens inslaan, maar de band wilde liever een straattype op de hoes. Dus heeft het label 10 dollar betaald aan een door hen uitgekozen persoon voor elke uitgedeelde klap. De nog steeds naamloze gast verdiende er 300 dollar mee. Het is in elk geval een sterke foto geworden, die aanspreekt.

Als daar plezier aan beleeft, mensen die in het gezicht worden gepuncht, hier nog twee grappig clipjes:

Plaatjes Kijken: Santogold – Santogold

april 17, 2009

santogold_coverkl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Santogold – Santogold

De uit Pennsylvania afkomstige artiest Santi White aka Santogold aka Santigold bracht haar eerste album ‘Santogold’ (Downtown Records/Atlantic) op 12 mei 2008 uit. Er kwam een hele sterrencast opdraven – Bad Brains‘ Chuck Treece, Cliffored ‘Moonie’ Pusey van Steel Pulse, Diplo, Disco D, Freq Nasty, Naeem Juwan en XXXchange van Spank Rock, Radioclit, Sinden, Switch en Trouble Andrew – voor haar debuut, dat ze in slechts acht weken opnam. Ze bouwde haar songs op uit invloeden uit verschillende continenten zoals reggae, new wave, rock, baile funk en ska, zocht de raakvlakken en fuseerde ze creatief tot een exotisch soort pop.

Het uiteindelijke resultaat: een unieke mix van dub, electronische muziek en indie rock. Santigold’s doel met het album was om grenzen en genre indelingen te doorbreken, om het beeld van ‘zwarte vrouw zingt R&B of hip hop’ tegen te gaan. Uit de alleen maar positieve reviews blijkt dat ze dat prima voor elkaar heeft gekregen. Predikaten als ‘rauw en puur’, ‘intercontinentale glinsterende eigenzinnige pop’ en ‘muzikale toekomst’ vielen haar ten deel. ‘Santogold’ behaalde dan ook een plek in de ’50 Beste Albums van 2008′-lijst van Pitchfork en Q Magazine, en het prestigieuze blad koos de single ‘L.E.S. Artistes’ als de op één na beste single van de 100 dat jaar.

De ‘Santogold’-hoes vind je oftewel spuuglelijk (Pitchfork vond ’t één van de lelijkste van 2008) of erg tof, ik vind ‘em zelf in elk geval wel interessant om naar te kijken. Ze heeft het lef gehad om zichzelf niet al te flatteus te laten fotograferen. De meeste debuutalbums van een nieuwe vrouwelijke ster zien er toch appetijtelijk en doorgaans nogal overdone uit, niet als een arm, verdrietig en naief ogend meisje met een golf glitter (die je kunt interpreteren als kots) uit haar mond. want het moet toch snel verkocht worden. De labelmanager heeft haar daar niet toe gedwongen, ze heeft gewoon haar zin doorgedramd. Want Santi White heeft een A&R achtergrond (Epic Records), dus wist zelf donders goed waar ze mee bezig was.

Hoe het ook zij, het hoesontwerp is verzonnen door kunstenares Isabelle Lumpkin en Santi samen. Lumpkin fotografeerde en knutselde de (geknipte) onderdelen in elkaar, Santi deed het digitale photoshopwerk. Wanneer we het hoofdstukje ‘lichaamstaal’ erop nalezen, leren we dat Santogold’s pose nerveusheid verraadt. De handen in elkaar gevouwen tussen de benen gestoken een teken van het zichzelf willen beschermen.

Daar hadden overigens handboeien omheen kunnen zitten, die misschien wel zijn weg gephotoshopt? Haar – een beetje naar beneden gerichte – hoofd met de ogen omhoog in de camera starend symboliseert een kind dat naar zijn ouder opkijkt om sympathie te wekken. Ze heet Santogold (of ondertussen Santigold), dus die gouden glitterstroom is dan natuurlijk een logische verwijzing naar het achterste deel van haar naam. De albumtitel ‘Santogold’ is in sierlijk lettertype gewoon uit een stuk papier geknipt. Dat is een beetje het trademark van Lumpkin, als je haar site bekijkt, collages van knipsels. Ze heeft ook meer in die stijl voor Santogold gemaakt.

Hier verklaart Santigold de hoes zelf nader. Je ziet ook twee shots van de twee eerdere opzetten voor de hoes. Die waren dan toch minder cool voor het oog.

Plaatjes Kijken: DJ Shadow – Endtroducing…

april 9, 2009

djshadow_endtroducingk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

DJ Shadow – Endtroducing…

DJ Shadow oftewel Amerikaanse turntablist en producer Josh Davis, kwam op 19 november 1996 met zijn eerste volledige album ‘Endtroducing…’ op de proppen. Deze plaat en de maker zijn een belangrijk onderdeel geweest in de ontwikkeling van de experimentele, instrumentale hiphop. Shadow’s stijl is genre-overschrijdend; hij voegt elementen van de funk, rock, hiphop, ambient, jazz, soul en allerlei tweedehands plaatmateriaal samen tot een spetterend eigen geheel.

Zijn kenmerkende muziekstijl wordt vaak omschreven als triphop, hoewel DJ Shadow zelf een hardgrondige hekel heeft aan die term. De plaat heeft meer affiniteit met de scratch-hip hop dan de mc/rap hip hop, maar met name voor zijn spielerij met samples en beats wordt hij gelauwerd. Op deze tijdloze klassieker in zijn genre mixt DJ Shadow honderden samples en geluiden perfect aan elkaar. Als je leest welke nummers en fragmenten allemaal, sta je compleet versteld. ‘Endtroducing…’ kwam dan ook terecht in het Guinness Book of Records als het ‘eerste volledig gesamplede album’ in 2001.

De albumhoes is een mooie weergave van DJ Shadow’s toewijding aan de kunst van het graven naar goede, bruikbare platen voor z’n tracks. Zijn kennis van obscure albums en het samplen ervan met een MPC leidde tenslotte tot dit meesterwerk. Meneer schijnt overigens ook een van de grootste platencollecties ter wereld te bezitten, met tenminste 70.000 LP’s.

We zien een platenzaak met bakken vol langspelers, waarin een aantal mensen staan te graaien; de voorkant loopt over in de achterkant: de vage gast is Lyrics Born, die andere man is Chief Xcel van Blackalicious en die vent met de pet is Beni B van ABB Records. De winkel waar de foto werd gemaakt heet simpelweg ‘Records’ en was destijds gevestigd aan K street in Sacramento. Deze is inmiddels verhuisd naar een andere locatie, die weer te zien is op de DVD ‘Scratch’. De foto werd juist hier genomen omdat het meeste materiaal voor ‘Endtroducing…’ afkomstig is uit deze kelder.

De foto werd gemaakt door B+-fotograaf Brian Cross uit Los Angeles. Zijn beeltenissen sieren ondertussen meer dan 100 hip hop albums, waaronder op die van Mos Def, Q-Tip, Jurassic 5, Blackalicious en Eazy E. Kennelijk was het een haastklus en ook een foutje dat de foto wazig en uit focus is. Er moest snel een kiek worden geschoten, omdat ze de per ongeluk aanwezige, nieuwsgierige kat wilden vastleggen (goed kijken, dan zie je ‘em, helemaal links achterin in een open cover). Een ander geniaal detail: de Super Mario Bros poster!

B+-collega Will Bankhead heeft het hoesontwerp gecrëeerd. Mo Wax Recordings vond dat foutje wel toepasselijk en heeft de hoes zo gelaten. De wazigheid ondersteunde volgens het label ook het concept van DJ Shadow. Een grappige samenloop van omstandigheden dus. De cd-versie van ‘Endtroducing…’ is een digipack, die eruit ziet als een miniversie van de album uitgave: de cd lijkt op een zwarte LP en de verpakking is hetzelfde als een vinyl dubbelaar. In 2005 bracht DJ Shadow nog een Deluxe Editie van ‘Endtroducing…’ uit. Maar het loont zeer de moeite om de eerste persing aan te schaffen.

Plaatjes Kijken: Yeah Yeah Yeahs – Show Your Bones

april 2, 2009

 yeahyeahyeahssybhskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Yeah Yeah Yeahs – Show Your Bones

Het in 2006 verschenen album ‘Show Your Bones’ is de tweede schijf van New Yorks (Brooklyn) artrock trio Yeah Yeah Yeahs en de opvolger van vlammend, energiek debuut ‘Fever To Tell’ (2003), waarmee ze flink naam maakten en doorbraken naar een groot publiek na enkele veelbelovende EPeetjes.

Op ‘Show Your Bones’ ondergingen zangeres, gitariste, mode-icoon en frontvrouwe Karen O, gitarist Nick Zinner en drummer Brian Chase een transformatie. Het verraadde dat Yeah Yeah Yeahs ondanks het succes van de eerste plaat niet bang was om het avontuurlijke pad te kiezen en de stomende rock ‘n’ roll garagepunk wat meer naar de achtergrond te laten verdwijnen, en er wat meer rust in te brengen zonder de aanstekelijkheid in de nummers te verliezen.

Het album met catchy singles als ‘Gold Lion’ viel uiteindelijk net zo in de smaak als het debuut, misschien nog wel een tikkie meer, maar YYYs toonde vooral aan dat het een bandje was om rekening mee te blijven houden. ‘Show Your Bones’ – waarop ook extra personeel als Beastie BoysMoney Mark (toetsen) en TV On The Radio’s Dave Sitek (sampler) te horen is – haalde bijna alle eindejaarslijsten als één van de beste albums, van Rolling Stone (nummer 44), tot Spin (31) en Q Magazine (33).

In eerste instantie werd er een wedstrijd uitgeschreven voor de albumhoes. Fans werden opgeroepen een vlag te ontwerpen, die zou worden gebruikt voor de cover of het andere artwork voor de plaat. Bijna alle inzendingen zijn wel terecht gekomen in het cd-boekje, maar de albumhoes kwam er niet uit voort. De band koos voor een andere ontwerper.

De ‘Show Your Bones’ albumhoes lijkt van textiel gemaakt en betastbaar. Het zet je aan om de hoes te willen aanraken en voelen, maar het is feitelijk gewoon een gedetailleerde foto van een onderdeel van een stoffen vlag. De bedenker van het patroon en maker van die vlag is Julian Gross, die we kennen van The Liars. Hij heeft met zijn concept niet alleen Yeah Yeah Yeahs bandnaam mooi weten te vatten – in de ruwe rode stof komen de drie Y’s onder elkaar terug – maar tegelijkertijd ook de titel van de plaat. Die rood gekleurde in het oog springende Y’s lijken zo tevens op een ribbenkast (‘laat je botten zien’).

Jammer dat de platenmaatschappij van mening was dat wij fans niet zo slim zijn om die Y’s er zelf uit te pikken en de onderliggende botten-boodschap van Gross, want ze vonden het nodig om de bandnaam en de albumtitel in onaantrekkelijke, cursief gedrukte witte belettering over de afbeelding heen te laten zetten door de artworkafdeling. Helaas, maar desondanks blijft het nog steeds een aantrekkelijke voorkant!

Plaatjes Kijken: Andrew W.K. – I Get Wet

maart 27, 2009

andrew_wk_cover
Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Andrew W.K. – I Get Wet

‘I Get Wet’, het majorlabel debuut van solo-artiest Andrew W.K. (echte naam Andrew Fetterly Wilkes-Krier), verscheen in 2001. Soms heb je van die albumhoezen die puur proberen te shockeren om aandacht te krijgen, niet omdat er nou perse zo’n nadrukkelijke boodschap achter zit. ‘I Get Wet’ is er zo een. In eerste instantie riep de opruiende, onsmaakvolle hoes veel negatieve reacties op. Dat betekende voor feestbeest Andrew en platenmaatschappij Island Records gewoon erg veel free publicity.

Dat werkte want het album, vol harde rocksongs en af en toe wat pianomuziek over vooral veel feesten, meisjes, lol en nog meer plezier hebben, behaalde de eerste plek in de Billboard Top Heatseekers hitlijst en ook in de UK schoot de plaat flink door. De nummers ‘Party Hard’ en ‘She Is Beautiful’ groeiden uit tot dikke hitsingles. Openingstrack ‘It’s Time To Party’ werd gebruikt voor een Hotwire.com, Coors en Expedia commercial, en ‘Don’t Stop Living In The Red’ voor een Target reclamespot. ‘Fun Night’ is opgenomen in de soundtrack van de film ‘Old School’ uit 2003 en zijn nummer ‘I Love NYC’ wordt regelmatig afgespeeld tijdens de New York Ranger wedstrijden.

De controversiële cover van het soms als een wat commercieel heavy metal album geziene ‘I Get Wet’, waar Andrew W.K.’s gezicht met een vettige haardos en een stroom bloed uit zijn neus lopend naar zijn kin en keel op staat, kreeg nogal wat kritiek in Europa. Er werd een verband gelegd met het gebruik van cocaïne en het promoten ervan.

Andrew W.K. deed net na de release zijn best iedereen ervan te overtuigen dat hij bij zichzelf een bloedneus had veroorzaakt door zich tijdens de fotoshoot met een onderdeel van een motorblok in het gezicht te slaan. Stoer hoor en leuk geprobeerd, maar later zou dus blijken dat het een kletsverhaal was. Andrew bloedde niet echt, hij kocht er speciaal varkensbloed voor (of van een ander dier, nog steeds onduidelijk) bij een slager om op zijn smoelwerk te smeren. Anderen zijn weer van mening dat het gewoon allemaal gefotoshopt is. De waarheid? Tja. Het is eens te meer een goed voorbeeld van hoe je de verkoop van je album kunt stimuleren door er rare verhalen over te verzinnen en tentoon te spreiden.

De bewuste foto werd gemaakt door Amerikaanse, professionele fotograaf Roe Ethridge. Normaal is zijn werk wat minder opvallend, maar voor het album van de Amerikaanse rocker wilde hij iets neerzetten dat meteen de aandacht zou vangen. Dat is gelukt. Hij plaatste bovendien de letters ‘Andrew W.K.’ boven zijn gezicht in dikke letters, om een soort ‘Wanted’ poster gevoel te simuleren.

Wat hij er nou eigelijk mee wilde zeggen, met deze cover? “Dit album laat je muzikaal bloedend achter.”

Plaatjes Kijken: Björk – Volta

maart 19, 2009

bjork_volta_fronthskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Björk – Volta

Het zesde studioalbum ‘Volta’ (Polydor Records), de opvolger van ‘Medúlla’ (2004) van IJslandse zangeres Björk verschijnt op 4 mei 2007. Het is de eerste plaat die deze opmerkelijke dame in zijn totaliteit zelf produceerde en ze werkte voor zeven tracks samen met producer Timbaland. Bovendien schakelde ze een 14-koppig blaasorkest in van alleen maar IJslandse vrouwen, een Afrikaans koor en Malinees Toumani Diabaté. Bjork heeft een aantal podcast online gezet rond de releasedatum, waarin ze uitgebreid verteld hoe ‘Volta’ tot stand kwam. Hier check je de eerste.

Ondanks dat de twee opvallend mooie tracks met Antony Hegarty van Antony & The Johnsons en de eerste – alleen digitaal te downloaden – single ‘Earth Intruders’ het goed deden, viel deze plaat niet zo goed in de smaak bij de fans als alle andere van Björk. Ook de uitgeschreven wedstrijd dat liefhebbers een clip mochten regisseren voor het nummer ‘Innocence’, maakte de muziek niet populairder. En toch werd ‘Volta’ uiteindelijk genomineerd voor een Grammy, stond het album negen weken op één in de Billboard hitlijst en werden de eerste drie maanden zo’n half miljoen exemplaren verkocht.

De albumtitel Volta is volgens Björk voortgekomen uit verschillende betekenissen. Het is zowel de naam van de Italiaanse wetenschapper die de batterij heeft uitgevonden als de naam van een rivier in Afrika als een aangelegd meer genaamd Lake Volta.

Björk staat bekend om haar artistieke hoezen als ook haar uitbundige en extravagante kleding en innovatieve muziekstijl, maar deze albumhoes is wel de weirdste van allemaal. Je zou denken dat de beeltenis in zijn geheel is gephotoshopt, maar dat is niet waar. Dat ‘pak’ waarin Bjork verstopt zit, een soort combinatie van een Chuppa Chup lolly en zo’n typische Russisch poppetje, is een levensecht hol beeldhouwwerk van beroemde mode ontwerper Bernhard Willhelm. De kunstenaar maakte het ontwerp eerst op papier, voordat hij het in deze vorm uitwerkte.

Via het pak aan een ketting kon Björk zich staande houden, terwijl Show Studio-fotograaf Nick Knight er kiekjes van maakte. Parijse ontwerpstudio M/M heeft de uiteindelijke foto gekozen en is er vervolgens mee aan de slag gegaan. Zij besloten om de afbeelding als sticker op een signaal rode hoes te plakken. Binnen in de verpakking zien we nog foto’s van Björk in handgemaakte, uitbundig gekleurde kostuums van The Icelandic Love Corporation.

De speciale digipack uitgave van het album bevat een bonus DVD met de plaat in 5.1 surround geluid en heeft ander artwork. Hoe dat eruit ziet, bekijk je hier. Beide verpakkingen van ‘Volta’, en een dubbel vinyl uitgave, zijn nog altijd gewoon te koop.

Plaatjes Kijken: Aphex Twin – Windowlicker

maart 12, 2009

aphextwin_windowlicker-epkl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Aphex Twin – Windowlicker

Dit keer eens een EPeetje. En dan pakken we natuurlijk een lekker opruiende. ‘Windowlicker’ is een nummer van de inventieve en baanbrekende electronisch muzikant Richard David James, maar werd toch onder zijn alterego Aphex Twin uitgebracht door Warp Records in 1998. James is naast een vette naam in de electronische scene als artiest – hij begon al op 12-jarige leeftijd met muziek produceren – ook baas van acid house label Rephlex Records. Als Aphex Twin debuteerde hij in ’92 met het eerste volledige album ‘Selected Ambient Works 85-92’. De Brit ging met zijn keyboard en computer veel verder dan de ambient van Brian Eno door het fuseren van weelderige soundscapes met oceanische beats en baslijnen.

Eind jaren negentig werd James zo populair, door releases als ‘Richard D. James Album’ en ‘Expert Knob Twiddlers’ (met U-ziq), dat ‘ie zelfs door de mainstream werd geaccepteerd. Single ‘Come to Daddy’ bereikt in ’97 nog de 36ste plek in de UK hitlijst. Opvolger ‘Windowlicker’ – met naast de titeltrack de nummers ‘Equation’ en ‘Nannou’ – haalt een jaar later zelfs nummertje 16. De redelijk poppy track, opgebouwd met digitale samples en DSP technieken, worden gedraaid op MTV, gebruikt voor o.a. een Mercedes Benz spot en door ‘Windowlicker’ komt James op de cover van de NME. Het is de best verkochte single van de Britse DJ.

Dat succes had ook te maken met de controversiële hoes van de EP. Hoewel The Designers Republic normaal wat smaakvoller materiaal maakt, zijn ze toch de ontwerpers. Ze kregen de al gefotoshopte kiek aangeleverd door befaamd Britse artiest Chris Cunningham. Eén van de invloedrijkste filmmakers van het laatste decennium en geroemd om zijn innovatieve inslag en rustverstorende technologische snufjes en beelden. Perfect voor ‘Windowlicker’ uiteraard, maar hij doet sowieso veel werk voor Warp. Begonnen met de promoclip voor ‘Second Bad Vibe’ van Autechre in ’95 heeft Chris daarna een berg weirde filmpjes gefabriceerd voor bands als Squarepusher, Bjork, Portishead, Madonna en Aphex Twin.

We zien het in witte bikini gestoken, uitdagende en rondborstige lijf van een anonieme dame, met daarop het hoofd van Richard D. James, die glimlachend recht in de camera kijkt. De simpele typografie werd verzonnen door The Designers Republic. Of de hoes sexy is of juist weerzinwekkend schokkend en goor, toen de EP verscheen de twee meest gehoorde reacties, mag je voor jezelf bepalen. Hier heb je nog andere foto… een ander standje.

De hoes is eigenlijk gebaseerd op de bijbehorende ‘Windowlicker’ videoclip, ook door Chris Cunningham. Het is een tien minuten durende parodie op de Amerikaanse gangsta hiphop muziekvideo’s. Twee vuilbekkende mannen zijn in Los Angeles om te windowshoppen naar prostituees. Dan rijdt er een belachelijk lange limousine op hun zwarte Mazda Miata in, waarna ‘James’ uitstapt met twee gemorfde dames. De Franse term voor ‘Windowlicker’ is faire du lèche-vitrine, wat zich vertaald naar het likken van ramen. In het Engels betekent het een mentaal gehandicapt persoon. Iets wat Cunningham een beetje verbeeld. Tel even na hoe vaak het woord ‘fuck’ voorkomt. Abnormaal!

Plaatjes Kijken: Efterklang – Under Giant Trees

maart 5, 2009

efterklang_ugths

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Efterklang – Under Giant Trees

Het Deense vijftal Efterklang verbaasde vriend en vijand met hun debuutplaat ‘Tripper’ in 2004, volgend in de voetsporen van andere opkomende Scandinavische bands. Efterklang onderzoekt dezelfde muzikale gebieden als die zielsverwanten, zoals Múm, Colleen, Sigur Ros en Hood, alleen wel met een compleet eigen en volwassen smoelwerk. De band creëerde een wonderlijke wereld voor zichzelf met licht klassiek getinte knisperelectronica en akoestische folk klanken rondom fascinerend mooie, epische zanglijnen.

Na tussendoortje EP ‘Springer’, verscheen op 2 april 2007 het mini-album ‘Under Giant Trees’ (Leaf/RumRaket/Konkurrent). Het intrigerende collectief uit Kopenhagen schreef vijf tracks tijdens de tournee rondom het succesvolle ‘Tripper’ en verzamelde die op deze EP. Songs die tijdens de toer zowel door hen als door de fans als de beste nummers (hun oude live-versies althans) werden bevonden. De EP-titel verwijst naar hoe nummers net als bomen steeds groter groeien, en hoe ze, als ze geplant zijn, een eigen leven leiden. De band schotelde slechts 30 minuten aan weinig verrassende, doch opnieuw schitterende muziek voor: knarsende electronica, bombastische strijkers (door Edda en Hildur van IJslands kwartet Amiina) en blazers en feeërieke elfenzang.

Er werd door de band met de uitgevers besloten om de gelimiteerde release extra cachet mee te geven door een zeer speciale, deluxe digipack verpakking te laten ontwerpen door de Deen en mede-oprichter van de Hvass & Hannibal ontwerpstudio, Nan Na Hvass. Hij kreeg de volledige vrijheid en liet zich inspireren door de manier waarop Efterklang zijn songs opbouwt. Hij maakte een sprookjesachtige, levendig gekleurde collage van honderden, zelf gecreëerde beelden van schematische huisjes, pittoresque omgevingsdetails en ontbladerde bomen, die hij laag over laag op elkaar legde.

Hvass heeft er zo´n half jaar lang aan lopen knutselen, telkens kleine veranderingen toepassend en beelden verschuivend, tot hij tevreden was. Hij heeft zelf geen flauw benul meer hoe hij op het idee voor de hoes kwam, alleen dat hij ´veel heeft moeten rekenen´. Maar de platenmaatschappijen en Efterklang wilden nog iets ècht bijzonders toevoegen aan de luxe verpakking. Hvass kwam daarop met een magisch puzzelspel, gebaseerd op de ´Under Giant Trees´ hoes. Alle stukken zijn op vele manieren aan elkaar te leggen voor een andere beeld. Bekijk het filmpje hoe dat eruit ziet, op een nummer van Efterklang:

De hoes van ´Under Giant Trees´ bezorgde de Deense ontwerper en zijn studio een heleboel andere baantjes voor albumcovers. De albumhoes is prachtig idilisch en sluit naadloos aan op de muziek van de groep, en de magische puzzel is ook absoluut de moeite. Ook dit album is wat moeilijk te verkrijgen, gezien het een limited edition uitgave is, maar met een beetje zoeken haal je hem wel naar je toe voor niet al te veel centjes.

Plaatjes Kijken: The Mothers of Invention – Weasels Ripped My Flesh

februari 26, 2009

mothersofinvention_weaselhs

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

The Mothers of Invention – Weasels Ripped My Flesh

Op 10 augustus 1970 verschijnt ‘Weasels Ripped My Flesh’ (Bizarre Records) van Frank Zappa en zijn Mothers of Invention, wat door velen wordt gezien als fase twee van ‘Burnt Weeny Sandwich’ uit ’70. Beide albums bestaan uit voorheen onuitgebrachte tracks, uitgegeven nadat de originele band uiteen viel. De stukken muziek op ‘Burnt Weeny Sandwich’ zijn opgenomen in de studio, terwijl ‘Weasels Ripped My Flesh’ de Mothers aangevuld met blazers op de planken vastlegt, waar de Amerikaanse freaks hectische en chaotische improvisatie muziek – karakteristiek voor de avant-garde free jazz en experimentele rock – tentoonspreidt.

De live tracks zijn verzameld uit de periode oktober 1967 tot en met augustus 1969. Elke keer als de Mothers hun oude nummers opnieuw speelden, zocht de band de grenzen van het muzikaal extremisme nog wat meer op. ‘Weasels’ is daar een goed voorbeeld van. De beruchte albumafsluiter en titeltrack bestaat uit niets anders dan dat elk bandlid op het podium in twee minuten zoveel mogelijk noise en feedback de zaal instuurt. ‘Weasels Ripped My Flesh’ is een zeer indrukwekkende collectie van rock meets jazz songs, die beide scenes bediende. Natuurlijk niet gespeend van staaltjes bizarre Zappa humor en de belachelijk strakke instrumentbeheersing van de Mothers.

Zappa ziet vlak voor de release een tekening van Neon Park voor de groep de Dancing Food en besluit dat deze kunstenaar (echte naam Martin Muller, die dan werkt als posterartiest bij Family Dog, een design groep uit San Francisco) de hoes voor de volgende Mothers of Invention plaat moet gaan schilderen. Frank Zappa wil dat Neon Park een subversief beeld creëert, gebaseerd op een magazinecover van de ‘Man’s Life’ editie uit september 1956. Zappa laat hem overkomen naar Los Angeles en toont hem een exemplaar van het tijdschrift met als hoofdartikel ‘Weasels ripped my flesh!’, waarna hij Neon Park vraagt: “Dit is het. Wat kun je doen dat erger is dan dit?”

Het verhaaltje gaat over een man, die tot zijn middel naakt in het water staat, waarin een heleboel wezels ronddobberen die hem aanvallen en bijten. Neon verzint een parodie op een advertentie voor Schick’s electrische scheerapparaat, daarbij het ‘Weasels Ripped My Flesh’ thema in het achterhoofd houdend. Park’s schilderij, waarvoor hij 250 dollar kreeg betaald, wordt bijna niet geaccepteerd door Warner Bos. De platenmaatschappij vindt het beeld niet geschikt. Zappa en Park (die ook grillige schilderijen maakte voor Little Feat en de Beach Boys) hebben zich kennelijk helemaal rot gelachen om het ontwerp en vooral het beestje als apparaat, dat praktisch werd verwerkt voor de hoes door John Williams.

Er is nog wel een alternatieve hoes gemaakt door Dieter Boé, maar die heeft het niet gehaald. De hoes van de Duitse release had een metalen baby op de voorkant, vastgeklemd in een rattenval, die ook niet goed werd gekeurd door Zappa. ‘Burnt Weeny Sandwich’ en ‘Weasels Ripped My Flesh’ zijn later samen als een pakket heruitgebracht op vinyl als ‘2 Originals of the Mothers of Invention’. De originele hoezen werden gebruikt als de linker en rechterkant van de binnenhoes en de albumcover toont een pistool dat tandpasta op een tandenborstel schiet. Zeer zeldzaam artwork allemaal, dus mocht je er iets van tegenkomen, kopen die handel!

Plaatjes Kijken: The Who – Sell Out

februari 19, 2009

thewho_sellouthskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

The Who – Sell Out

The Who’s ‘Sell Out’ (1967), de derde schijf van de Britse rockband, is een conceptplaat. De schijf omvat een verzameling onsamenhangende songs, onderbroken door muziek van onbestaande commercials, wat wij Postbus 51-spotjes zouden noemen. Het klinkt alsof het een uitzending betreft van een piratenstation genaamd Radio London. De titel is ironisch bedoeld, gezien The Who leden ook daadwerkelijk reclame maakten in die periode van hun carrière.

Alleen de single ‘I Can See For Miles’ van ‘Sell Out’ werd en is nog steeds een grote hit. Het nummer ‘Rael’ (Israël) is een korte voorbode van Pete Townshend’s rockopera aspiraties. Het dramatische, instrumentele gedeelte in de tweede helft komt boven in zowel ‘Sparks’ als ‘Underture’ van ‘Tommy’. De resterende songs zijn redelijk onbekend bij niet-The Who fans.

Producers Chris Stamp en Kit Lambert en Townshend wilden het artwork voor ‘Sell Out’ net zo als ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ van The Beatles: een kunstwerkje om een kunstwerk heen, een serieus artistiek statement, maar ook een cover die hen zou helpen meer afstand te nemen van hun verleden. Zoals The Beatles ineens een veel psychedelischere kant op gingen. Ontwerpers David King (van 1965-1975 art editor van de Sunday Times magazine) en Roger Law (had in de ’80s internationaal succes met zijn politieke satire poppenshow ‘Spitting Image’ en maakte ook de hoes voor Jimi Hendrix Experience’s ‘Axis: Bold as Love’) worden gevraagd dat voor elkaar te krijgen.

Voor de foto’s nemen ze David Montgomery in de arm, later een gewaardeerd portret fotograaf. Hij kiest voor enorme foto’s, geheel in de popart traditie, de vulgariteit van reclame en de consumptie cultuur benadrukkend. De albumhoes is verdeeld in vier panelen, een voor elk bandlid, twee op de voorkant en twee op de achterkant. Op de front een foto van Pete Townshend, die het deodorant-merk Odorono aanprijst, door een enorme stick onder zijn oksel te houden. Aan zijn zijde een kiek van Roger Daltrey, zitten in een badkuip vol Heinz’ bonen in tomatensaus. Naar verluidt zou Daltrey een longontsteking hebben opgelopen door deze fotoshoot, omdat hij kou vatte door de bevroren bonen.

De achterkant: Keith Moon smeert anti-puistmiddel Medac uit een te grote tube en een in een Tarzan-pak van luipaardhuid geklede John Entwistle houdt een blonde vrouw in een idem bikini met een arm vast, terwijl hij in de andere een teddybeer heeft (naar een advertentie van Charles Atlas, vernoemd in één van de fake commercials op de plaat). Onder elk van de foto’s staan nep reclame teksten, die lezen als licht surrealistische poëzie.

Toen ‘Sell Out’ uitkwam, volgde er een lawine van rechtszaken, wegens commerciële interesse in de nep reclames en albumcover. Ook van de echte jingle-makers (o.a.Radio London), omdat The Who geen toestemming had gevraagd voor het gebruik ervan. In Amerika werd de plaat soms niet gedraaid, wegens de ‘smerige’ hoes en ook platenmaatschappij Decca was er niet blij mee. De Los Angeles Times riep de cover dan weer uit tot de ‘grootste happening in albumcovers’. In 2003 belandde ‘Sell Out’ op nummer 113 in Rolling Stone’s lijst van de 500 beste albums aller tijden.

Plaatjes Kijken: Death Cab For Cutie – Transatlanticism

februari 12, 2009

deathcabforcutie_transhsk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Death Cab For Cutie – Transatlanticism

In oktober 2003 verschijnt ‘Transatlanticism’ van Death Cab For Cutie bij het kleine label Barsuk Records. Het album betekent een belangrijke stap in de carrière – van intiem soloproject van frontman, zanger en gitarist Ben Gibbard naar een Grammy-genomineerd kwartet – van de Amerikaanse indierock band. Niet alleen indie liefhebbers krijgen in de gaten dat Death Cab een zeer getalenteerde band is, maar hun melodieuze indie pop/rock muziek wordt prompt opgepikt voor de in eigen land veelbekeken tv-serie ‘The O.C.’.

Na een zeer succesvolle ontvangst en nog een live epeetje (‘The John Byrd’) wordt Death Cab in november 2004 dan ook gecontracteerd door Atlantic Records. Met ‘Plans’ schieten ze ècht door naar het grote publiek. Dat album behaalt de platinastatus en krijgt die Grammy nominatie toebedeeld.

Voor de hoes van ‘Transatlanticism’ werd de nog onervaren, lokale kunstenares Adde Russell ingeschakeld, waar de groep van onder de indruk was. Het is haar eerste albumproject. Bassist Nick Harmer geeft haar slechts de opdracht een iconisch ontwerp te maken. Verder krijgt Russell alle vrijheid. De eenvoudige, maar sterke cover is dan ook meer een kunstwerk dan een echte albumhoes te noemen.

Adde creëert de eerste opzetjes in haar stoffige, met spinnen bevolkte kelder in Seattle. Russell is gewoon een knutselwinkel ingelopen en schafte eigenlijk alles aan wat maar van toepassing zou kunnen zijn voor een ontwerp. Te beginnen met een zielig, klein piepschuim vogeltje gewikkeld in rood touw, naast wat andere, handgeschetste ideeën.

Als ze de ontwerpen aan de Death Cab leden toont, vindt ze het vogelidee zelf minder boeiend dan de andere plannen, maar was wel tevree over het draad-concept. De groep gaat juist voor de vogel, verstrikt in rode draad, die de sfeer van de songs in grote lijnen weer moet geven. Het idee verduidelijkte gaandeweg het opnameproces van ‘Transatlanticism’, in samenspraak met de band. Het is dus uiteindelijk een handgemaakte vogel geworden, die je half verbaasd, verstrengeld aankijkt.

‘Transatlanticism’ werd uitgebracht op cassette, vinyl en cd. Overal prijkt Russell’s ontwerp op, zodat de kunstenares inmiddels meer albumhoezen heeft mogen ontwerpen (waaronder die voor ‘Putting The Days To Bed’ van The Long Winters).

Plaatjes Kijken: Led Zeppelin – Houses Of The Holy

februari 8, 2009

led_zeppelin_hothhs

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, de cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Led Zeppelin – Houses Of The Holy

Vijfde album ´Houses Of The Holy´ van Britse rockhelden Led Zeppelin verschijnt op 28 maart 1973. De albumtitel is een bedankje van de band aan hun fans, die de zalen waar ze optraden steevast omdoopten tot ´Houses Of The Holy´. Het was het eerste Led Zepp album dat niet naar de band is vernoemd en teksten van alle songs bevatte. Het was tevens een ommezwaai in het geluid, omdat de rockers meer lagen en productie technieken gebruikten bij de opnames van hun veel minder bluesy songs (overigens merendeels vastgelegd in Mick Jagger´s Stargroves studio met Rolling Stones materiaal). Bovendien was het de laatste plaat bij Atlantic Records voor ze hun eigen Swan Song Records label opzetten.

Hoewel de plaat niet meteen goed werd ontvangen, men moest wennen aan die verandering, wordt ´Houses Of The Holy´ inmiddels gezien als één van Led Zeppelin´s beste albums. Door memorabele nummers als ´Over The Hills And Far Away´, ´Dancing Days´ en ´The Song Remains the Same´ vlogen er 11 miljoen exemplaren over de toonbank in de States. De plaat bleef 39 weken hangen in de Billboard album hitlijst en behaalde de eerste plaat in de UK. In 2003 bereikte de plaat de 194ste plek in de Rolling Stone lijst van de 500 Beste Albums Aller Tijden.

De albumhoes werd ontworpen door ontwerpteam Aubrey Powell en Storm Thorgerson (en later ook Peter Christopherson) van het Londense Hipgnosis, destijds een populaire keuze voor jaren ´70 rockers zoals ook Sabbath, Pink Floyd, Styx en Yes. Het ontwerp is geinspireerd op het sci-fi verhaal ´Childhood’s End´ van Arthur C. Clarke. Aan het einde rennen creepy, semi-menselijke kids naar de rand van de aarde en springen eraf.

De beelden zijn door Powell in zwartwit geschoten in Giant´s Causeway in Noord-Ierland. De uiteindelijke hoes is een collage van 30 verschillende shots, slechts twee kinderen poseerden ervoor (broer en zus Stefan en Samanatha Gates). Omdat het een druilerige dag was, zien de kids er wat wit uit. Later heeft de airbrush er de kleurige tinten aan toegevoegd. De bandnaam of albumtitel stonden niet op de originele hoes. De UK-versie had wel een wikkel met die info om de kontjes van de kids te verbergen. Toch werd het album door de cover in Spanje en sommige delen van zuidelijk Amerika een aantal jaren verboden. De cd-versie in 1980 had beide gewoon op de voorkant.

De hoes is als Led Zepp: pompeus, episch, kinderlijke fantasie, onschuld vs. seksualiteit, mystiek, dynamisch, schreeuwerig, grote gebaren voor die tijd. In ´74 verdiende de hoes dan ook een nominatie voor de Grammy Award voor ´Beste Album Verpakking´.

Plaatjes Kijken: Battles – Mirrored

januari 30, 2009

battles_mirroredhskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Battles – Mirrored

Na drie indrukwekkend EP’s (gebundeld op één cd als ‘EP C / B EP’) verschijnt in maart 2007 het ware debuutalbum ‘Mirrored’ van het New Yorkse Battles bij het prestigieuze Warp Records, een plaat vol abstracte, experimentele, progressieve rock. Hoewel de songs linea recta ontspruiten uit de wiskundige bolletjes van de vier bandleden slaagt het album erin toegankelijk èn dansbaar te blijven. Echt moeilijk zijn de nummers – elf tracks in lengte wisselend van een tot acht minuten – nergens, echter zijn het ook weer geen aanstekelijke liedjes te noemen. Hun vernieuwende, futuristische kraut- en progrock wordt dan ook met open armen ontvangen door de alternatieve indie scene. Niet héél makkelijk te bewerkstelligen.

‘Mirrored’ biedt meer dan drie kwartier bloedstollende, opzienbarende, knappe en fenomenale muziek van meesterdrummer John Stanier (Helmet, Tomahawk) – met zijn bekken spectaculair hoog boven het hoofd en de drumkit gepositioneerd vooraan op het podium -, gitarist/toetsenist Ian Williams (Don Caballero, Storm & Stress), gitarist/bassist David Konopka (Lynx) en avantgarde solo muzikant Tyondai Braxton. Het album biedt een symbiose van intelligente, groovende en repeterende bas, gitaar, keyboard, software lijnen waar Braxton (zoon van jazzmuzikant Anthony Braxton) zo nu en dan zijn stem, gefilterd door een effect, doorheen weeft (klinkt een beetje als Alvin & The Chipmunks).

Het paradepaardje van ‘Mirrored’ is de eerste single ‘Atlas’, waarin Battles’ experimenteerdrift en toegankelijke dansbaarheid op een briljante manier samenkomen. Timothy Saccenti regisseerde de eenvoudige, maar zeer stylistische videoclip. We zien de band ‘Atlas’ spelen in een vernuftige roterende, doorzichtige glazen kubus, van twee kanten gespiegeld. De speciaal daarvoor opgebouwde set wordt door Timothy Saccenti op de gevoelige plaat gezet. Deze still kiek wordt verkozen tot de voorkant van de ‘Mirrored’ albumhoes.

Twee vliegen in één klap, maar ook duidelijk het concept wat Battles probeert neer te zetten. Alles gaat bij Battles hand in hand, van de muziek tot clip tot hoes tot podiumopstelling. Brein achter het conceptuele denken van de New Yorkse noisers en bewaker van hun eigen wereldje in design, de ‘art director’ zoals dat zo mooi heet, is bandlid David Konopka.

De gele drums en het totaalbeeld doen ons wat denken aan het drumstel op de hoes van ‘Sign ‘O’ The Times’ (1987) van Prince of ‘No Pussyfooting’ (1973) van Brian Eno en Robert Fripp. Al is er geen sprake geweest van een directe invloed, aldus Konopka. Het beeld vat volgens hem de ‘Mirrored’ stukken met mathematische loops en feedback perfect samen. Voor mij was ‘Mirrored’ dé plaat van dat jaar en hij staat bovendien schitterend in je albumkast.

Plaatjes Kijken: Joy Division – Unknown Pleasures

januari 22, 2009

joydivision_unknownplhsk

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Joy Division – Unknown Pleasures

Het sferische, extreem duistere, broeierige en emotioneel beladen album ‘Unknown Pleasures’, het meesterlijke debuut van Joy Division dat in juni 1979 verscheen en in amper een week werd opgenomen in de Strawberry Studios in Stockport, maakte van dan nog 21-jarige Britse jochies de ultieme iconen van de post-punk beweging en Manchester scène eind jaren zeventig. Joy Division vatte de tijdsgeest krachtig bij de lurven, maar klinkt ook anno 2009 nog to the point. In hun korte bestaan vanaf ’77 tot aan de zelfmoord van frontman/zanger Ian Curtis in 1980 – net voordat ze doorbreken met single ‘Love Will Tear Us Apart’ – en met slechts twee studioalbums (deze en ‘Closer’ in ’80) hebben de vier een onvoorstelbare, essentiële impact gehad op het muzikale landschap.

‘Unknown Pleasures’ is om diverse redenen een mijlpaal: natuurlijk de intense muziek en indrukwekkende, filosofische en neerslachtige teksten van Ian, maar ook de kale, vernieuwende productie van de excentrieke Martin Hannett (die er voor die (punk)tijd een onmodieuze voorkeur op nahield te experimenteren met galm, echo en tapeloopsen en graag onder invloed van heroïne werkte) en het hoesontwerp van Peter Saville dat naadloos op de onderkoelde songs aansloot.

De jonge grafische ontwerper maakte – zonder de muziek nog te horen – de cover die hij graag wilde zien als hij de plaat had gevonden in een platenbak. Saville werkte vaak met kale typgrafie in de traditie van Jan Tschichold, een welkome afwisseling en een groot contrast in een tijd dat hoezen eruit zagen als een middagje huisvlijt. Door zijn verzorgde, minimale aanpak was Saville juist erg vooruitstrevend bezig.

Geheel in stijl van het minimalisme, staat er op de voorkant van de op grofkorrelig zwart papier uitgevoerde hoes geen tekst of bandnaam, net als de achterkant helemaal zwart is. De enige afbeelding is een witte, drie-dimensionale grafiek, die 100 opvolgende, door een radiotelescoop opgevangen, signalen (elke 1,337 seconden) van de eerste verticale pulsar (de pulsar CP1919+21) weergeven. Het idee was afkomstig van gitarist Bernard Sumner. Het golfpatroon is overweldigend eenvoudig en gewoon te vinden in de Cambridge Encyclopaedia Of Astronomy’.

Zelfs de manier waarop de plaat werd gefinancierd was ongebruikelijk: tv-presentator en organisator Tony Wilson bekostigde het album uit eigen zak. ‘Unknown Pleasures’ was de eerste LP die werd uitgebracht op het mede door Wilson opgerichte, geroemde Factory-label. Het album werd lovend ontvangen, het commerciële succes kwam wat later op gang. De plaat was moeilijk verkrijgbaar, Factory had geen geld meer om ‘em in grote oplage uit te brengen, doordat de luxe papiersoorten van Saville de productiekosten nogal opdreven.

De restleden – gitarist Bernard Sumner, bassist Peter Hook en drummer Stephen Morris – gingen door als New Order en ‘Unknown Pleasures’ werd later opnieuw uitgebracht als Collectors Edition, met een extra schijf met uniek live materiaal.

Plaatjes Kijken: Thom Yorke – The Eraser

januari 8, 2009

thomyorke_theeraserhskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Thom Yorke – The Eraser

Op 11 mei 2006 voegt Thom Yorke, zonder uitleg, de weblink theeraser.net toe aan de officiële site van Radiohead. Twee dagen later stuurt de frontman van de Engelse experimentele pop/rock band een mailtje rond aan diverse band fansites, waarin hij bekend maakt dat hij een album aan het maken is: de plaat wordt geproduceerd door Nigel Godrich en zou songs met meer beats en electronica bevatten, geschreven en ingespeeld door Yorke alleen.

Toen dat nieuws bekend werd hielden de indie kids even hun adem in van verwachting: een solo album van Radiohead’s frontman, één van de populairste groepen van het moment. Al is ‘The Eraser’, ook volgens Yorke, geen ècht solo album. Twee songs, de titeltrack en ‘Black Swan’, gebruiken samples gemaakt door andere Radiohead leden. Thom werkte tevens al sinds 2000 aan de diverse tracks, waarvan enkele ook grove ideëen of klanken waren voor bandalbums, die een plaat wel of niet hebben gehaald.

‘The Eraser’, die op 10 juli ’06 verscheen, bleek een groot succes. Sommigen geven zelfs de voorkeur aan dit album boven de releases van Radiohead. De plaat belandde op nummer drie in de UK album hitlijst en op twee in de Billboard 200. ‘The Eraser’ werd bovendien genomineerd voor de prestigieuze Mercury Music Prize en de Grammy Award voor Beste Alternatieve Muziek Album in 2007.

De kartonnen hoes van ‘The Eraser’ is gecreëerd door Britse kunstenaar Stanley Donwood, net zoals het artwork voor alle Radiohead releases, een oude schoolvriend van Yorke. De cover is een reproductie van zijn gigantische, uit linoleum handgesneden prints genaamd ‘London Views’ uit ’95, die samen een middeleeuwse, apocalyptische overstroming van Engeland’s hoofdstad portretteren. Elk van de 14 panelen is 75 cm breed en 140 cm hoog, in zijn geheel zo’n 12 meter lang. Op de albumhoes zien een man met een zwarte hoed en een regenjas, een imitatie van King Canute, die probeert en faalt de oceaan terug te commanderen. In het begeleidende boekje zien we rond hem gebouwen zoals de Big Ben instorten en andere panelen.

Het grafische ‘The Eraser’ ontwerp van Donwood, met zijn meesterlijk gebruik van negatieve ruimte en ingewikkelde lijnwerk, lijkt op niets wat je al in de kast had staan. Net zoals het innovatieve album ook klinkt als geen enkele andere plaat in je kast, eigenlijk.

Plaatjes Kijken: Beck – Odelay

december 25, 2008

beck_odelayhsvirginmediacom

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Beck – Odelay

Een van de vreemdste hoezen van de afgelopen jaren komt – passend – van één van de raarste vogels onder de artiesten: Beck. ‘Odelay’ verscheen op 18 juni 1996 bij Geffen Records en is de opvolger van mega succesvol debuutalbum ‘Mellow Gold’ met doorbraaknummer ‘Loser’. Ook met ‘Odelay’ scoorde de creatieve Amerikaan diverse grote hits, songs als ‘Where’s It’s At’, ‘Devils Haircut’ en ‘The New Pollution’ werden grijsgedraaid.

Beck wist op dit album zowat alle mogelijke stijlen – van punk, country, disco, wiegeliedjes, beats, blues, hiphop tot herrie – met elkaar te verenigen, zonder te vervallen in kakafonie. Meneer was ongrijpbaar, maar geniaal in zijn muziek. Zijn ‘Odelay’ is met recht een klassiek album in de muziekgeschiedenis, dat dan ook (nog steeds) veel geprezen wordt.

In ’97 kreeg Beck er een Grammy Award voor als ‘Beste Alternatieve Muziek Album’ en is het te vinden op plaats 305 in Rolling Stones’ lijst van 500 Beste Albums Ooit, net als in Pitchfork Media’s Beste Albums Van De Negentiger Jaren overzicht op nummer 19. Het album kwam destijds terecht op nummer 16 in de Billboard albumhitlijst en er werden er uiteindelijk zo’n 2,3 miljoen van verkocht in de USA. Het was tevens Beck’s eerste hitalbum in Groot-Brittannië, waar de schijf inmiddels de platina status heeft behaald.

Beck’s ‘Odelay’ hoes toont een Komondor. Oftewel, een foto van een Hongaarse schaaphond met een natuurlijke dreadlock vacht, die over een hindernis op een renbaan springt. Het is bijna onmogelijk te zien dat het om een viervoeter gaat, maar nog moeilijk om te vergeten eigenlijk. Het beeld is erg herkenbaar. Je zou echter zeggen dat het een opgerold stuk tapijt is. Anderen dachten weer dat het om een afbeelding van een zwabber ging.

Omdat Beck maar niet tot een beslissing kon komen wat hij op de cover wilde van ‘Odelay’, werd de hoesfoto op het allerlaatste nippertje pas gevonden. Zijn vriendin legde het beeld uiteindelijk aan hem voor en dat werd bijna uit wanhoop gekozen. Robbert Fisher – als art director werkzaam bij Geffen en de ontwerper van vele te gekke hoezen, waaronder Nirvana’s ‘Nevermind’ – maakte het ontwerp.

Voorafgaand aan de release van ‘The Information’ (2006) verscheen ‘Odelay’ opnieuw als luxe editie, uitgebreid met bonustracks en in een nieuwe verpakking, ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de plaat. De Komondor foto bleef, alleen in een kleurigere uitvoering.

Plaatjes Kijken: Jane’s Addiction – Nothing’s Shocking

december 15, 2008

janesaddnothingsshocking

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Jane’s Addiction – Nothing’s Shocking

Midden jaren ’80 begon de alternatieve rockband uit Los Angeles op te vallen door de spetterende rockshows, hun intrigerende mix van (prog)rock, metal, punk, folk en jazz, en flamboyante en charismatische frontman Perry Farrell (ex-Psi Com). Grote labels wilden de innovatieve, opwindende en onvoorspelbare band graag tekenen. Eigenwijs als ze waren besloten de leden (naast Farrell bassist Eric Avery, drummer Stephen Perkins en gitarist Dave Navarro) van Jane’s Addiction eerst zelf een live album (opnames van een gig in de Roxy in Hollywood in ’87) uit te brengen.

Warner Bros. won de ‘oorlog’ om Jane’s Addiction en eerste studioalbum ‘Nothing’s Shocking’ – met gastbijdrages van Red Hot Chili Peppers Flea, Angelo Moore en Christopher Dowd van Fishbonezag op 23 augustus 1988 het licht.

Perry Farrell is het brein achter de provocatieve hoes (overigens achter alle Jane’s Addiction hoezen). In tegenstelling tot de titel was het album destijds nogal shockerend. De hoes toont een volwassen siamese tweeling, verbonden aan heup en schouders, die naakt op een schommelstoel-bankje zitten terwijl hun hoofden in de fik staan (op een koeienvacht achtergrond). De plastic sculptuur van de mannequin dames is tevens gemaakt door Farrell, gemodelleerd naar zijn vriendin Casey Niccoli, die er sociopolitiek commentaar op de maatschappij mee wilde leveren.

De krachtige, surrealistische cover paste perfect bij de ruwe sound en agressieve attitude van de band. Ondanks dat velen de hoes obsceen vonden en negen van de 11 nationale platenketens weigerden het album wegens de artistieke cover te verkopen, begon de band met deze plaat door te breken naar een groter publiek en bracht het album 35 weken door in de albumhitlijst.

Het album – met bekendste songs ‘Ocean Size’, ‘Jane Says’, ‘Mountain Song’ en ‘Pigs in Zen’ – werd genomineerd voor de Grammy Awards in ’89, hetzelfde jaar dat Jane’s Addiction besloot even een pauze in te gelasten. In 2003 belandde de schijf op nummer 309 in Rolling Stone magazine’s 500 Beste Albums Aller Tijden overzicht, en behaalde de 19e plek in hun lijst van de Beste Albumhoezen Ooit. ‘Nothing’s Shocking’ is een musthave voor liefhebbers van gedurfde, invloedrijke en tijdloze harde rock.

Plaatjes Kijken: The Clash – London Calling

december 11, 2008

theclash_london-callinghskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

The Clash – London Calling

‘London Calling’, uitgebracht op 14 december 1979 in de UK en een maand later in de VS, is de derde plaat van Britse punkrockband The Clash. De band had een stijlverandering ondergaan – meer ska, pop, jazz, soul, rockabilly en reggae invloeden – die voor het eerst op dit dubbelalbum werd geopenbaard. De politieke inslag werd niet aan de kant geschoven met songonderwerpen als werkeloosheid, raciale conflicten en drugsgebruik.

Het album werd in slechts een paar weken opgenomen door producer Guy Stevens, op request van The Clash, waar de platenmaatschappij niet blij mee was. De man had alcohol en drugsproblemen en zijn methodes waren nogal onconventioneel (zoals het gooien met stoelen om een emotionele sfeer in de studio te creëren). Desondanks (of dankzij) werd ‘London Calling’ een grote klapper.

Het album bereikte de Top Tien in Groot-Brittannië en belangrijkste single ‘London Calling’ de Top Twintig. De plaat, die door de jaren heen zo’n 2 miljoen keer werd verkocht en in de VS de platinastatus kreeg, pakte de nummertje negen positie in de Rolling Stone lijst van de 500 Beste Albums Allertijden.

Ten tijde dat rockfotograaf Pennie Smith werd ingehuurd om de band vast te leggen tijdens hun ‘Clash Take The Fifth’ tournee in de US (’79), stond de anarchistische band er bekend om het publiek flink onder te spugen. Hoewel er muzikaal veranderingen werden doorgevoerd, bleven de wilde live shows hetzelfde. Daar kwam Smith achter toen ze de iconische hoesfoto nam van bassist Paul simonon, die zijn Fender Precision Bass op het podium van The Palladium in New York op 21 september aan gruzelementen sloeg, en daarbij ook zijn horloge.

Deze foto werd tegen Pennie´s zin in, want te onscherp, verkozen tot de hoes van ‘London Calling’. Maar goed ook, want in 2002 werd deze afbeelding uitgeroepen tot de beste rock ´n´ roll foto ooit door Q Magazine, omdat de foto ´het ultieme rock ´n´ roll moment´ vatte. De typografie werd verzonnen door grafisch ontwerper Ray Lowry, die een parodie maakte op de roze en groene letters op Elvis Presley’s debuutplaat. Een bewuste nostalgische keuze en verwijzing naar de pure rock ‘n’ roll tijden, naast een eerbetoon aan The King.

Plaatjes Kijken: The Rolling Stones – Sticky Fingers

december 5, 2008

rollingstones_stickyfingers
Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

The Rolling Stones – Sticky Fingers

The Rolling Stones dat ‘Sticky Fingers’ verscheen op 23 april 1971. Voorman Brian Jones was in ’69 overleden en deze plaat was de eerste zonder hem. Het was tevens de eerste volledige plaat met gitarist Mick Taylor. En na een hoop gedoe met Decca en London Records over auteursrechten en zonder toestemming uitbrengen van ‘Stone Age’ werd ‘Sticky Fingers’ de eerste plaat op het eigen, daarvoor opgerichte Rolling Stones Records. Ook hadden de Britten net een toer achter de rug die rampzalig eindigde op het Altamont festival, waar een fan door een Hells Angel werd gedood.

Het was na een bewogen periode voor

Ondanks dat alles of misschien dankzij bevat ‘Sticky Fingers’ het sterkere werk van de Stones. De plaat stond wekenlang in de charts op de 1ste positie, weer voor het eerst in zes jaar, en tracks als ‘Brown Sugar’, ‘Wild Horses’ en ‘Bitch’ zijn nog steeds enorme hits.

De LP-hoes van ‘Sticky Fingers’ is één van de meest iconische covers uit de jaren ’70. Het concept is bedacht door popart kunstenaar Andy Warhol. Het idee ontstond op een feestje in ’69 waar Warhol nonchalant tegen Jagger opperde dat het amusant zou zijn een echte rits op een albumcover te maken. Een jaar later stelde Mick dat idee te gebruiken voor ‘Sticky Fingers’.

De hoesfoto werd in opdracht van Warhol gemaakt door Billy Name en het ontwerp door Craig Braun. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk wie er in die broek zit. Warhol liet diverse mannen opdraven voor de shoot en heeft nooit onthuld wiens foto’s zijn gebruikt. Zeker is dat het niet Jagger is, maar eerder een Warhol aanhanger zoals Joe Dallesandro.

Veel mensen vonden de albumcover opruiend wegens de nadrukkelijke bobbel in de extreem strakke spijkerbroek. En dan ook nog een rits die je open kon doen, zodat een man met een witte katoenen onderbroek tevoorschijn kwam. Die man is waarschijnlijk Warhol’s destijdse vriend en assistent Jed Johnson. Het zal toen ook best aanstootgevend zijn geweest. Als we echter de Spaanse alternatieve hoes ‘Can With Fingers’ bekijken, is die eigenlijk veel controversiëler.

Warhol is ook degene die het inmiddels legendarische tonglogo verzon voor het Stones label. Dat logo – een personificatie van Mick Jagger’s mond en tong, gemaakt door John Pasche – werd met deze plaat aan de wereld geïntroduceerd. Kortom, met recht een fraaie klassieker, zowel de hoes als plaat.

Plaatjes Kijken: Kraftwerk – Autobahn

oktober 30, 2008

kraftwerkautobahnhskl
Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Kraftwerk – Autobahn

In 1970 brachten Ralf Hütter en Florian Schneider-Esleben nog als Organisation het album ‘Tone Float’ uit. Een half jaar later werd de naam veranderd in Kraftwerk. Hoewel het tweetal zich aanvankelijk concentreerde op de avant-garde muziek, werd de focus al snel gelegd op elektronica en krautrock en het maken van eigen elektronische instrumenten zoals bijzondere drummachines waar Schneider patenten op heeft.

Tussen 1970 en 1973 kende de Duitse band wisselende bezettingen. Na de release van derde (instrumentale) schijf ‘Ralf + Florian’ vormde de bekende line-up zich in ’74: Hütter, Schneider, Karl Bartos en Wolfgang Flür en ietwat later erbij gekomen Klaus Röder. De doorbraak voor Kraftwerk kwam datzelfde jaar met de plaat ‘Autobahn’, waarop voor het eerst een Minimoog te horen was, zeker voor die tijd een waanzinnig prijzig apparaat.

De 22 minuten tellende titeltrack en de legendarische hoes moesten het hypnotiserende gevoel van het rijden over de snelweg uitademen: van het oerendhard over de weg scheuren, tot het tunen van de autoradio en de saaiheid van een langere reis. De single en openingssong, teruggebracht tot 3 minuten voor airplay, belandde wereldwijd in de hitparades en was een duidelijk teken dat de synth niet meer weg te denken was uit de muziek.

‘Autobahn’ – overigens geen totaal electronisch album want er is tevens viool, fluit, gitaar naast de synths te horen – bevat als enige van de vijf tracks ook (vocoder) vocalen. Die werden speciaal geschreven door Emil Schult, een vriendje van Ralf en Florian, maar hij was ook de kunstenaar die het schilderij voor de originele Germaanse hoesversie (Philips Redords) heeft gemaakt.

Er is nog een unieke cover verschenen van ‘Autobahn’, alleen bedoeld voor de UK release en gemaakt door de marketingafdeling van het Vertigo label, die de ambiance net zo goed weet te vatten. Beide zijn inmiddels redelijk prijzig om aan te schaffen, beter is om de Mercury/EMI/Warner Bros./Parlophone re-releases te kopen dan, maar staan voor een belangrijk stukje muziekgeschiedenis! ‘Autobahn’ was tevens de eerste in de lange rij van Kraftwerk’s conceptalbums, die de Duitsers zijn blijven maken tot en met 2003 en geroemd om worden.

Plaatjes Kijken: Nirvana – Nevermind

oktober 3, 2008

nirvana_nevermindhskl

Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

Nirvana – Nevermind

Met deze tweede schijf na ‘Bleach’ (Sub Pop) brak grungerockgroep Nirvana uit Seattle internationaal door. Het bekendste nummer ‘Smells Like Teen Spirit’ groeide uit tot een jaren ’90 anthem voor de indie georiënteerde jeugd, ook ‘In Bloom’, ‘Come As You Are’ en ‘Lithium’ scoorden gruwelijk.

Daarvoor was Nirvana slechts één van die obscure bandjes, na de release op 24 september ’91 door Geffen was de band ineens een commerciële hoogvlieger. Tesamen met andere Seattle grungebands veranderden ze het muzikale landschap volledig. Werden de eighties nog gedomineerd door hair metal en electropop, Nirvana introduceerde de gruizige rock en ‘Nevermind’ bracht voor het eerst een alternatieve underground band naar nr 1 in de albumlijsten en op MTV.

Kurt Cobain haalde zijn inspiratie voor de cover uit een tv-programma over onderwater geboortes. Geffen’s art director Robert Fisher stuurde een fotograaf naar een zwembad waar baby’s leerden zwemmen en nam willekeurig vijf kiekjes.

De foto van de dan 4 maanden oude Spencer Elden werd gekozen en siert de hoes van het legendarische album. De vishaak met het dollarbiljet werden later digitaal toegevoegd en symboliseert de teloorgang van de onschuldigheid van de kids. Het beeld van de baby die onder water naar een dollarbiljet toezwemt is inmiddels iconisch te noemen.

Geffen maakte zich zorgen dat het duidelijk zichtbare babypiemeltje aanstoot zou geven en liet toch een hoes maken waarop dat mooi weggephotoshopt was. Cobain ging echter alleen akkoord met een eventuele sticker die het moest verdoezelen waarop stond: “Als je hierdoor beledigd bent, dan moèt je wel een pedofiel zijn die nog uit de kast moet komen.”

De ouders van baby Elden kregen 200 dollar aan vergoeding. De nu 18-jarige Spencer heeft nooit royalties ontvangen, hoewel hij sindsdien ongevraagd één van de bekendste naakte baby’s ooit is en tientallen miljoenen mensen zijn piemeltje hebben gezien. Kurt Cobain en Courtney Love zouden hem nog mee uit eten nemen als hij ouder was. Dat is er natuurlijk niet meer van gekomen na de zelfmoord van de charismatische en getormenteerde frontman in ’94.

Plaatjes Kijken: The Smiths – The Queen Is Dead

september 4, 2008

thesmiths_thequeenisdeadk
Of je ‘m nou ziet in de vinylbakken, cd-winkel op ’t station of de iTunes Store, soms is een albumhoes genoeg om een bepaalde plaat te willen hebben. De ene keer een absolute aanwinst, de andere keer een gedrocht dat je nooit meer draait, maar in ieder geval bijzonder genoeg om naar te blijven kijken. Deze week:

The Smiths – The Queen Is Dead

‘The Queen Is Dead’ is een van de meest invloedrijke èn beste albums van dé eighties indierock band The Smiths. Dat is niet alleen te danken aan de geweldige songs, maar ook aan de hoes en de titel, die nogal wat stof deden opwaaien in juni ’86 omdat deze als aanstootgevend werden gezien in thuishaven Groot-Brittannië.

De derde LP van de onconventionele groep met tien songs was hun finest hour. Nog nooit had The Smiths zo hecht geklonken en waren de onderwerpen zo ‘close to the bone’ als maar zijn kon.

Alle covers van The Smiths albums zijn de moeite waard en vele zijn collectors items. Nooit de groep zelf, maar bewonderde zangers en acteurs worden erop afgebeeld. Ze zijn ontworpen door flamboyante zanger en einzelgänger (Steven Patrick) Morrissey. Dus ook de albumhoes van ‘The Queen Is Dead’.

Mozzer heeft vooral een fascinatie voor filmsterren uit de jaren ’60 (naast welbespraakte schrijvers als Oscar Wilde). We zien de acteur Alain Delon dromerig liggend, een filmstill uit ‘L’Insoumis’ (‘The Unvanquished’) uit 1964. Op de hoes aan de binnenkant wordt een andere afbeelding van Delon ingezet op beide kanten. De plaat start met de titelsong, die wordt ingeleid door een fragment van Bryan Forbes’ ‘The L-Shaped Room’ uit ’62.

Morrissey lijkt Royal Brittania te leiden in haar republikeinse sentiment: zoveel koninklijke verkwisting terwijl de sociale omstandigheden in het land zo beneden de maat waren. Hoewel Mozz zich in mysterieusheid hulde omtrent zijn spitsvondige teksten (maatschappijkritische of persoonlijke ontboezemingen) en benamingen, heeft hij later verklaard dat ‘The Queen Is Dead’ net zo goed op hemzelf kon slaan als dat het een algemene observatie was van de staat van het volk.

Tegenwoordig kun je ‘em gewoon op cd krijgen. De LP versie, daar zul je je portemonnee voor moeten trekken, zeker voor de originele hoes.

Dat heb je met klassiekers, maar die niet mogen ontbreken in je kast.