Archive for the ‘[ ALBUM ] recensies’ Category

Recensie: The Temper Trap, ‘Conditions remixed’

november 21, 2010

Dit had hoogstens een bonusschijf moeten zijn

Op ‘Conditions remixed’ krijgt het debuutalbum van de Australische rockers een herbewerking door grote namen uit de dance scene. Dat debuut ‘Conditions’ met hitsingles ‘Science of fear’, ‘Love lost’ en vooral ‘Sweet disposition’ is er nog maar sinds zomer 2009. Een toer door het thuisland en de UK zette The Temper Trap op de kaart. Ook in de Benelux was de band al vaker te gast. In afwachting van de tweede – het viertal zit in Londen voor opnames – krijgen we remixen voorgeschoteld van alle nummers in de oorspronkelijke volgorde.

Kern van de muziek van The Temper Trap zijn de gitaren en de soulvolle stem van zanger Dougi Mandagi. Songs vol melodie, soms lief, vaak bezwerend, galmend en gelaagd, avontuurlijk. De bedoeling van de remixen was volgens het kwartet ‘a soul jazz exploration, in search for a new sound’. De zanglijnen behouden de soul nog enigszins en het valt op dat Mandagi’s flexibele vocalen met gemak in diverse muzikale stijlen passen. Het is dan weer jammer dat er weinig inspirerend gebruik van is gemaakt. En zonder het bed van gitaarriffs en pompende drums valt veel van de charme van The Temper Trap weg en klinkt Mandagi te koud en emotieloos. Jazz? Een nieuw geluid? Nope.

Het aanhouden van de volgorde was geen beste keuze. De individuele mixen houden geen rekening met een opbouw of totaalervaring. Daardoor is het een erg wisselvallig album, zwevend tussen pogingen tot dancehall vloervullers en meer experimentele probeersels. Er zit geen verband tussen.

Faithless’ Rollo & Sister Bliss spelen op safe en drenken ‘Love lost’ in hun typische synthwave met clubland beats. Wat Three Trapped Tigers deed met ‘Rest’ had, gezien hun complexe songs, een bak spannender gekund dan drijven op een vlak doordreinend ritme. Alan Wilkins’ soundscaperige ‘Sweet disposition’ is aardig. Hoewel je niet veel fout kan doen, zijn de housebeats een geschikt gezelschap voor Dougi. ‘The science of fear’ (aka Hervé) wordt verpest door een simpele drum ‘n’ bass mix. Het is pas interessant als er flink wordt afgeweken van het voorbeeld, zoals trancegrootheid Adam Freeland doet met zijn verknutseling van ‘Fader’ tot vier minuten desoriënterende distortion. Penguin Prison’s ‘Resurrection’ is een triomf en de rol van spoken word-artiest Kate Tempest in BrentonLabs visie op het voorheen instrumentale ‘Drum song’ erg tof.

Waarom een remixalbum zo snel na je debuut? En dan nog eentje die niet zo boeiend is? Ze trekken er vast geen nieuwe fans mee. We zetten het origineel nog wel een keer op. Dit had hoogstens een bonusschijf moeten zijn.

CuttingEdge SCORE: 2 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // Album:

* Band: The Temper Trap
* Album: Conditions remixed
* Record company: PIAS
* Jaar: 2010
* Track list: Love lost – Sister Bliss and Rollo Mix / Rest – Three Trapped Tigers Remix / Sweet disposition – Alan Wilkis Mix / Down river – Fool’s Gold Remix / Soldier on – RUSKO’s F’kin Seagull Remix / Fader – Adam Freeland Remix / Fools – Peter, Bjorn & John Hortlax Cobra Remix / Resurrection – Penguin Prison Remix / Science of fear – The Count (aka Hervé) Medusa Remix / Drum song – BretonLabs Remix featuring Kate Tempest

© Cutting Edge — 21 Nov 2010
images © PIAS

Link: CD review The Temper Trap, ‘Conditions remixed’ (2010) bij CuttingEdge

Advertenties

Recensie: Blonde Redhead, ‘Penny sparkle’

november 14, 2010

Een wolk van een plaat om op weg te drijven

De nieuwe Blonde Redhead is flink wennen. Het New Yorkse trio Kazu Makino, Simone en Amedeo Pace was al bezig hun getreden pad van experimentele, sfeerrijke en melodieuze indierock met dissonante, uit de bocht vliegende gitaren te verleggen naar meer pop en elektronica. Die weg werd ingeslagen op ‘Misery is a butterfly’ (2004) en verder bewandeld op ’23’ (2007). Het zou geen verrassing moeten zijn dat achtste album ‘Penny Sparkle’ die wandel vervolgt en de grens verder opschuift. Dat was het wél voor veel fans.

Er werd gewerkt met Zweedse producers Van Rivers en The Subliminal Kid (Fever Ray). De incidentele productionele bijval van Drew Brown (Beck, Radiohead) en de eindmix van shoegazegoeroe Alan Moulder zetten de puntjes op de i. Het prachtige deluxe artwork staat voor de inhoud: het oogt sober, maar is oerend efficiënt. De songs zijn zorgvuldig, verfijnd minutieus opgebouwd. Met veel passie en bol staand van gevoel. De zin ‘Your other world (dream) is inside here’ spreekt boekdelen. ‘Penny sparkle’ klinkt alsof een kalmerend valiumpje is genomen alvorens op te nemen om in een diepe droomstaat te geraken. De trippy slowcore sfeer van ’23’ is tot in extreme vormen doorgetrokken: uitgepuurde, transparante chillout. De eerste songs dwarrelen zo voorbij.

Kazu stond nimmer zo op de voorgrond, zong nooit zo ijzig helder (haar nog donkerdere lyrics blijven vaag) en mooi. Net als Amedeo (‘Black guitar’). Ongelooflijk knap om de pracht die het oudere, typerende materiaal kenmerkt in zo’n fraaie, onderzoekende vorm te gieten. Wie de tijd neemt, merkt dat aan alles is vastgehouden. De sprankelende melodieën, het intense breekbare, het gelaagde organische. Alleen vrijwel geen gitaren en nergens een climax. De vertederende zang wordt gedragen door een spaarse, weemoedige of lieflijke, troostgevende elektronische invulling en in echo gedrenkte beats, 80’s synths en samples. Kaler, rustiger, ingetogener. Gaandeweg krijgen ze meer schwung. Vanaf halverwege het album valt het echt perfect in elkaar, die subtiele nuances. Al zijn alle songs van hoog niveau. Het betoverende ‘Love or prison’, de zweverige, trieste, beeldschone titelsong en hartbrekend schitterende ‘Spain’ zijn ware parels.

‘Penny sparkle’ is een wolk om op weg te drijven. Blonde Redhead zal er helaas not too open minded guitar fans mee verliezen. De vorige plaat had daar al last van. Wellicht krijgen ze er nu aanwas bij uit een andere hoek. Innovatie is niet altijd fijn. De manier waarop deze drie zich telkens opnieuw uitvinden valt enorm te waarderen. Dat getuigt van lef en diepgang.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Blonde Redhead
* Album: Penny sparkle
* Record company: 4AD
* Jaar: 2010
* Track list: Here sometimes / Not getting there / Will there be stars / My plants are dead / Love or prison / Oslo / Penny sparkle / Everything is wrong / Black guitar / Spain

© Cutting Edge — 14 Nov 2010
images © 4AD

Link: CD review Blonde Redhead, ‘Penny sparkle’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Various Artists, ‘Eat pray love (OST)’

oktober 24, 2010

Vermakelijk, goed samengesteld, weinig nieuws

De soundtrack ‘Eat pray love’ begeleidt de verfilming van de bestseller van Elizabeth Gilbert door regisseur Ryan Murphy, die aan het einde van de zomer zijn première beleefde in Amerika en begin oktober in Nederland en België. Hoewel de trailer veel goeds beloofde, werd de film ‘aardig’ ontvangen. Het verhaal: ‘Liz’ Gilbert (Julia Roberts) realiseert zich hoe ongelukkig ze is in haar huwelijk en besluit te scheiden, haar leven te veranderen en zichzelf te herontdekken. Ze gaat een jaar op reis. Begint in Italië (‘eat’), door naar India (‘pray’) en eindigt in Indonesië (‘love’). De muziek, veelal door artiesten uit de jaren zeventig en eerder, weet haar gevoelens – herinneringen, liefde, verlangen en hoop – uit te drukken en neemt de luisteraar eveneens mee op reis.

Een chickflick zijnde, horen we romantiek, soul, wereldmuziek en weinig rock. De lyrische opener van Josh Rouse leidt het avontuur wiegend in. Het fragment van Barbieri haalt vervolgens beelden van een oude Franse film noir naar het netvlies. De dikke, swingende funksound van Sly & the Family Stone geeft aan dat Liz klaar is voor de reis. Dan een grote overgang naar de Bona botervloot-jingle van weleer – sorry, die associatie hebben wij nu eenmaal sinds die commercial. De operazangeres ondersteund door het klassieke orkest met een deel ‘Die zauberflute’, is een mooie maar vreemde eend in de bijt.

Het middenstuk rijgt prachtig aaneen. Met Neil Youngs ‘Heart of gold’ zit je altijd goed (net als sluiter van dit blokje ‘Harvest moon’). Zachtjes glijd je de sferische, traditionele Indiase tablasounds van U. Srinivas in, dat perfect overgaat in het schitterende ‘The long road’ van Pearl Jams Eddie Vedder en wijlen Nusrat Fateh Ali Khan. Al bekend van ‘Dead man walking’ en daar te veel aan verbonden. Bebél en João Gilberto leveren luchtige, zwoele, bossa nova-bijdrages, catchy onderbroken door Gaye. Dan de door Vedder gepende Oscarkandidaat ‘Better days’. Een meeslepende ballad, hoewel minder krachtig dan zijn werk voor ‘Into the wild’. Een zoektocht naar innerlijke rust, gelardeerd met een exotische (Indiase) klank, violen, mandoline en een gloedvolle accordeon rondom Eddies imponerende stem. De instrumental van Marianelli, die met piano en zwierige violen leunt naar een hoopvol eind, is een juweeltje.

De soundtrack is vermakelijk en goed samengesteld, maar weinig nieuws. De trailersongs ‘Dog days are over’ van Florence and the Machine en ‘Sweet disposition’ van The Temper Trap staan er niet op. Die hadden een andere vibe toegevoegd.

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // Album:

* Band: Various Artists
* Album: Eat pray love (OST)
* Record company: Island Records/ Universal
* Jaar: 2010
* Track list: Josh Rouse – Flight attendant / Gato Barbieri – Last tango in Paris (suite pt. 2) / Sly & The Family Stone – Thank you (fallettin me be mice elf agin) / Wiener Philharmoniker, George Solti conductor – Der hölle rache kocht in meinem herzen uit ‘Die zauberflute’ (‘The magic flute’) / Neil Young – Heart of gold / U. Srinivas – Kaliyugavaradana / Eddie Vedder met Nusrat Fateh Ali Khan – The long road / Neil Young – Harvest moon / Bebél Gilberto – Samba da bençáo / João Gilberto – Wave / Marvin Gaye – Got to give it up (part 1) / João Gilberto – ‘S wonderful / Eddie Vedder – Better days / Dario Marianelli – Attraversiamo

© Cutting Edge — 24 Oct 2010
images © Island Records/ Universal

Link: CD review Various Artists, ‘Eat pray love (OST)’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Department Of Eagles, ‘Archive 2003-2006’

juli 21, 2010

Fascinerende beginsels van een glorievolle toekomst

Het New Yorkse duo Daniel Rossen en Fred Nicolaus heeft voornamelijk door Rossens andere band Grizzly Bear, met magnus opus ‘Veckatimest’ vorig jaar, muzikaal een groter belang gekregen. Maar als Department of Eagles werden de twee inmiddels ook genoeg veren in de kont gestoken. De twee albums ‘The cold nose’ in 2003 en ‘In ear park’ in 2008 bij 4AD met prachtige, elektronische homerecording indiepopliedjes werden lovend ontvangen.

‘Archive 2003-2006’ bevat sessies bedoeld om het tweede album van Department of Eagles te vormen. Er waren schijnbaar al genoeg opnames voor een schijf voorafgaand aan dat opnameproces. Op de compilatie staan zes volledige songs. Tegen het einde van hun studietijd aan de universiteit legde Rossen in de oefenruimte van de school een reeks korte pianostukken vast. Daar zijn er ook vijf van op dit album terechtgekomen onder de naamgeving ‘Practise room sketch’.

Vooral in de verfijnde, warme vocale harmonieën en de rijke, uitgebreide arrangementen horen we waar ‘Veckatimest’ zijn oorsprong heeft. ‘Sketch 1’ is zelfs een soort vingeroefening voor ‘Easier’. Rossen en Nicolaus flirten duidelijk met vintage Americana en folk evenals de ambitieuze composities van Van Dyke Parks’ ‘Song cycle’. Ze bewegen zich op een ander sonisch territorium en er is veel minder gedaan met elektronica. Opgenomen met brakke lo-fi apparatuur (door Grizzly’s Chris Taylor) is het knap dat het paar het mooi open en niet te geknutseld laat klinken.

In ‘Grand army plaza’ horen we een wankele Arcade Fire en de Beatles en Beach Boys hebben hun vocale sporen nagelaten in ‘Sketch 2’. De sketches zijn vaak schattige, sferische en bijna dwarrelende fragmenten, die het geheel luchtig en sprookjesachtig maken. ‘Flip’ met zijn staccato akoestische gitaarspel en dreigende akkoorden zet het nekvel overeind en ‘While we’re young’ barst verfrissend uit in gruizige energie en melodie en is een opvallend mooie popsong.

Misschien dat deze release wat te vroeg komt in hun korte carrière. Naar verluidt was het ook meer een beslissing van het management dan van de heren zelf deze schijf de wereld in te schoppen. ‘Archive 2003-2006’ blijkt het missende stukje van de Department of Eagles-puzzel. Het vervolledigt de collectie en het laat de muzikale levenswandel en fascinerende beginsels horen van de glorievolle toekomst. Een wondere en onaffe wereld, vol ideeën die hun ultieme creatieve vorm nog moesten krijgen maar al een ferme bak talent tentoonspreiden. Heel interessant en fijn voor obsessief diepgravend uitzoekwerk voor fans van Department of Eagles en Grizzly Bear!

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Department Of Eagles
* Album: Archive 2003-2006
* Record company: Bella Union / V2
* Jaar: 2010
* Track list: Practise room sketch 1 / Deadly Disclosure / While we’re young / Grand army plaza / Practise room sketch 2 / Brightest minds / Practise room sketch 3 / Flip / Practise room sketch 4 (tired hands) / Golden apple / Practise room sketch 5

© Cutting Edge — 21 Jul 2010
images © Bella Union/V2

Link: CD review Department Of Eagles, ‘Archive 2003-2006’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: The Chemical Brothers, ‘Further’

juli 18, 2010

De Bros gaan ‘further’, dat is even wennen

Op de opvolger van ‘We are the night’ gaan The Chemical Brothers terug naar hun ‘core bizz’. Geen grote namen meer als gastvocalisten, alleen singer-songwriter Stephanie Dosen verzorgt zang (en Tom Rowlands zelf her en der). Ook is ‘Further’ weer een lange mixtrack. Zonder onderbrekingen trekken de acht dance-nummers vloeiend aan je voorbij. Dj-duo Simons en Rowlands is er übersterk in en beroemd om, zo weten we van ultieme albums ‘Exit planet dust’, ‘Dig your own hole’ en ‘Surrender’ (en vooruit, ‘Come with us’).

De Bros moesten wel een andere weg inslaan op hun zevende en dat doen ze zonder overdreven opzwepende hoogtepunten. Geen enkel nummer steekt de kop boven het maaiveld uit, zoals er eerder altijd een paar tracks onherroepelijke dansvloerkrakers waren. De nummers lijken ondergedompeld in een psychedelicabad en zijn ingetogen implosief. Het lijkt telkens ergens naar op te bouwen, maar er komt zelden een beukend of verrassend crescendo. Vaak blijft het hangen in simpele beats, percussie-elementen en sample-omlijsting. Een geduldige en emotievolle opbouw zonder te ontsporen.

In opener ‘Snow’ blijft het bij wat hakkelende bliepjes en Dosen die ‘Your love keeps lifting me, lifting me higher’ mantra-achtig blijft herhalen tot het er pas halverwege het bijna 12 minuten durende ‘Escape velocity’ inhakt met beats, claps, opgestapelde vintage synthlijnen en dreinende sounds. De track golft van piek naar dal. Een stemsample leidt ‘Another world’ in, zwabberende beats en gitaarrifs transformeren tot een loungy geheel. Ook het lekkere mellow ‘K+D+B’ mag er wezen. Het zweverige, warme ‘Swoon’ (met het ronduit geile gehijg van Dosen) en het humoristische, met paardengehinnik en vocoder zang gelardeerde ‘Horse power’ zijn de smakelijkste en aansprekendste Chemical Brothers nummers ertussen, maar zijn tegelijk ook schaduwtracks van wat ze eerder uitbundiger deden.

De terugkeer naar de basis is een goede keuze, hoewel we merken toch wat meer te verlangen dan wat ‘Further’ nu biedt. Het album haalt het niveau van hun beste schijven niet, al mag gezegd worden dat deze klassiekers natuurlijk wel erg lastig zijn te overrulen en dat deze de vorige cd wel degelijk overstijgt. De Bros gaan ‘further’ dan voorheen en dat is gewoon even wennen.

Er is tevens een deluxe ‘Further’ edition met een extra dvd met visuals. De verwachting dat die een extra dimensie zou toevoegen aan de songs – de heren hebben tenslotte een reputatie – wordt niet waargemaakt. Het blijken slechts wat eenvoudige animaties bij de tracks. Leuk als achtergrond bij de live gigs waarschijnlijk.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: The Chemical Brothers
* Album: Further
* Record company: Virgin / EMI
* Jaar: 2010
* Track list: Snow / Escape velocity / Another world / Dissolve / Horse power / Swoon / K+D+B / Wonders of the deep

© Cutting Edge — 18 Jul 2010
images © EMI/Virgin Records

Link: CD review The Chemical Brothers, ‘Further’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Mountain Man, ‘Made the harbor’

juni 30, 2010

Hemels gezang, intiem naakt in al zijn kaalheid

Mountain Man bestaat uit drie jongedames afkomstig uit diverse pastorale Amerikaanse gebieden. Amelia Randall Meath, Molly Erin Sarle en Alexandra Sauser-Monnig kwamen elkaar tegen op het Bennington College in Vermont. De songs op hun debuut ‘Made the harbor’ lijken wel folkstandards, maar zijn het niet. De studentes schreven alle liedjes zelf en onderwezen elkaar tussen de colleges door.

‘Made the harbor’ werd opgenomen in een verlaten fabriek uit de vorige eeuw en die sereniteit heeft zijn weerslag op het geluid. Het voelt alsof je aan hun voeten zit te luisteren, zo dichtbij. Gekuch, een zucht, een ademhaal, het is er allemaal in gelaten. Er is überhaupt niets bijzonders gedaan aan de sound afgezien van een zweempje echo op de vocalen. Naakt in al zijn kaalheid. Af en toe had er best een producer aan mogen zitten om de scherpe randjes en het gesuis eraf te veilen. Maar dan mis je weer de intimiteit die het materiaal uitstraalt.

Er wordt afgewisseld tussen nummers met alleen een kabbelend akoestisch gitaartje als begeleiding van de prachtig in elkaar vlechtende heldere harmonieën, zuivere kippenvel a-capella, of liedjes waarin slechts een van de dames vertederend zingt. Stuk voor stuk zweverige, kleine intieme en eerlijke folk/Americana wiegeliedjes met melancholische ondertoon. Toch zit er voldoende variatie in het half uur durende schijfje. Dat zit hem in de manier van zingen, die is in geen enkel nummer hetzelfde.

De chickies verhalen schattig over hun liefde voor mensen, bomen, vogels, de bergen, nacht en het vrouw-zijn. ‘Buffalo’ staat met zes schoenen in de authentieke folktraditie en ook ‘How’m I doin’ ontlokt een glimlach door hun interpretatie van jaren ’40 boogie woogie gezang als een soort vreedzame The Andrews Sisters. De al veel gemaakte vergelijking met Fleet Foxes of Bon Iver komt het dichtst bij in ‘Soft skin’. Hemeltergend en zielsnijdend. ‘Mouthwings’ is een wonderschone allgirl a-capella en vrouwelijke equivalent van Simon & Garfunkel, in ‘Loon song’ omarmen Leadbelly en Jeff Buckley elkander en in ‘Babylon’ schuren de gelaagde vocalen tegen fraai Gregoriaans gezang aan.

Nu we zweterig van onze luie ligstoel afglijden door de warmte raden we je de cd aan voor de avonduurtjes. Als de zon bijna is gezakt en het kampvuur al aangestoken om relaxed rond te hangen met wat vrienden. De immer aanwezige akoestische gitaar kan thuisgelaten worden en dan is het diep wegzwijmelen op de charmante, nostalgische tonen van Mountain Man. Dan proef je de eenzame sfeer, die je ook voelt als je in de bergen vertoeft.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band: Mountain Man
* Album: Made the harbor
* Record company: Bella Union / V2
* Jaar: 2010
* Track list: Buffalo / Animal wings / White heron / Mouthwings / Dog song / Soft skin / How’m I doin / Arabella / Sewee sewee / Loon song / Honeybee / Babylon / River

© Cutting Edge — 30 Jun 2010
images © Bella Union/V2

Link: CD review Mountain Man, ‘Made the harbor’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Magnapop, ‘Chase park’

juni 27, 2010

Nog altijd pretentieloos en oerend charmant

Het was voor mij altijd het jongere Texaanse broertje van Pixies. Punky indiepop met übercatchy melodieën, onweerstaanbare riffs van Ruthie Morris, opzwepend drumwerk, meeslepende lijnen en vocals door de bassist achter die heldere stem van Linda Hopper waar je – net als Kim Deal – smoorverliefd op werd. Pixies speelden niet meer live destijds en de shows van Magnapop waren binnen handbereik. Het debuut uit ‘92, geproduceerd door ontdekker Michael Stipe van R.E.M., zorgde voor een sensatie. Magnapop heeft door de jaren heen wel nieuwe platen gemaakt, maar nooit enige ommezwaai gemaakt in de stijl. Het zijn albums met vrolijke, ontwapenende liedjes met een grungerandje. Ook op hun vijfde schijf is dat niet anders.

‘Chase park’ zet je weer met de voeten in de Amerikaanse indiesound van de jaren negentig. Iets geproduceerder en dat komt de songs ten goede, maar ze hadden evengoed in die tijd uitgebracht kunnen zijn. Het klinkt gedateerd bekend. De twaalf songs lijken opnieuw moeiteloos uit de mouw geschud en zijn ongecompliceerd qua structuur. Gewoon lekkere in your face nummers die aanstekelijk werken. Niks vernieuwends, die korte veelal uptempo songs, wel erg krachtig inwerkend.

Een van de betere songs naast ‘Q-tip’ is ‘Future forward’, met killer hook, sterke harmonieën en dwingende riffs. ‘Jesus’, origineel van de Australische rockband Spiderbait, kreeg een vuig nauwsluitend jasje en wordt naar eigen hand gezet. ‘Bangkok’ lijkt in het refrein erg sterk op dat ene nieuwe Pixies-nummer ‘Bam Thwok’ uit 2004. Sfeervol vioolgestrijk in de enige rustige song en afsluiter ‘Need more’ is een prima aanvulling. Het laat horen dat Magnapop ook fragiel romantisch uit de hoek kan komen.

Er zit geen echte zwakkeling tussen de karakteristieke songs. Het is niet zo erg dat ze nooit buiten de gelegde paden treden. Als je al ingepakt was blijf je dat gewoon, want Magnapop heeft zich wegens die belangrijke aanwezigheid in je vormende tienerjaren nostalgisch in je hart genesteld en verblijft daar comfortabel. Nog altijd pretentieloos en oerend charmant.

Wel jammer dat de opvolger van ‘Mouthpiece’ (2005) nogal geruisloos is verschenen. Ergens in september vorig jaar stond het meeste al online en nu pas volgt de cd. Het label zal het budget eerder besteden aan de jonge bandjes die in hun voetsporen traden. Het zal velen ontgaan dat er een vers album van Magnapop uit is, laat staan dat velen weten dat ze er gewoon nog zijn of überhaupt bestaan. Het zou goed zijn als ze ontdekt zouden worden door een nieuwe generatie tieners. Maar of hen dat nog gaat lukken?

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band: Magnapop
* Album: Chase park
* Record company: Bassick Records
* Jaar: 2010
* Track list: Bring it to me / Straight 2u / Q-tip / Lions & lambs / Blue sheer / Jesus / Feedback blues / Looking for ghosts / Bangkok / Evergleam / Future forward / Need more

© Cutting Edge — 27 Jun 2010
images © Bassick/Clear Spot

Link: CD review Magnapop, ‘Chase park’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Fol Chen, ‘Part II: The new december’

juni 23, 2010

Caleidoscopisch, experimenteel en donders melodieus

Het gemêleerde sextet Fol Chen uit Los Angeles is alweer toe aan een nieuwe plaat na het goed gevallen debuut ‘Part I: John shade, your fortune’s made’ uit 2009 en het is ook een vervolg daarop. Het wazige verhaal in de cd-hoes leert ons dat ‘Part II: The new december’ gaat over een virus dat de taal vernietigt. Of zoiets. We snappen er niet zoveel van. Wat muzikaal opvalt, is dat de instrumentatie spaarzamer is dan op de voorganger en dat het allemaal wat afstandelijker en futuristischer klinkt.

Het is een onaardse, vreemde fantasiewereld waarin Fol Chen rondwaart. Caleidoscopisch, soms kakofonisch, experimenteel en tegelijk donders melodieus. Onvoorspelbaar, eigenzinnig en inventief. Donkere indiepop gemengd met verdraaide electropop en kleine injecties vrolijkheid. De intrigerende zanglijnen zijn vaak het enige echte houvast in de eclectische songs en brengen de melodie erin. Dat zorgt ervoor dat het ondanks die experimentele geluiden catchy en toch toegankelijk klinkt. Het is een knappe combinatie.

Fol Chen bouwt de onnavolgbare songs op uit ingespeelde geluidsfragmenten die vaak door de sample-doos zijn gehaald. Vervormd, verknipt, met effect of bewust vals. Van blazers tot strijkers, fluit en harp tot gevarieerde blieps en beats. Fol Chen schakelde een handjevol vocalisten in om mede hun verhaal te vertellen: Angus en Aaron van Liars (hijgerige samenzang in ‘This is where the road belongs’), zangeres Kárin Tatoyan (‘In ruins’) en singer-songwriter Simone White (‘Adeline’).

Hoewel duidelijk een conceptplaat, staan alle nummers op zich en geen van allen lijken op elkaar. De avontuurlijke reis door de krochten van Fol Chen begint met het venijnige ‘The holograms’. Een pianoriedel, een zwierige vrouwenstem, stampende percussie en schokkerige electro komen samen in een vreugdevolle deun. Speels escapisme met oosterse invloeden, versneden funkbits en gitaar versmelten in de dansbare jam ‘In ruins’. Een van de betere nummers, alsof Timbaland er met zijn fikken aan heeft gezeten. ‘This is where the road belongs’ herinnert door zijn dreigende duistere sfeer, beats en gesamplede viool en trompet aan Hood en The Notwist. Tegen het eind gaat het richting funk met r&b-zang en de titelsong bevat zelfs een steelguitar.

Het is een fascinerende plaat, maar ook een complexe. Het geeft de vooruitgang van Fol Chen goed weer. Maar of wij het vaak op gaan zetten, dat is weer iets anders. Luisteren is best vermoeiend en door het gebrek aan aansprekende emotie in de songs worden we er niet ingezogen. Het album maakt ons echter zeker benieuwd naar de derde!

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band: Fol Chen
* Album: Part II: The new december
* Record company: Asthmatic Kitty Records / Konkurrent
* Jaar: 2010
* Track list: The holograms / In ruins / Your curtain call / This is where the road belongs / Men, beasts or houses / C/U / Adeline (you always look so bored) / The holes / They came to me / The new december
* Concert: Fol Chen en Liars, Botanique Brussel

© Cutting Edge — 23 Jun 2010
images © Asthmatic Kitty Records/Konkurrent

Link: CD review Fol Chen, ‘Part II: The new december’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: The Black Riders, ‘The guns are rested’

juni 20, 2010

De zwarte rijders hinken op drie benen

De chemie tussen de Oostenrijkers Ben Martin en Michael Prowaznik was al duidelijk bij hun eerste ontmoeting als sidemen bij Esteban’s (soloproject van Garish-bandlid Christoph Jarmer). Tijdens soundchecks en bij repetities ontstonden de eerste songfragmenten, die werden uitgewerkt en opgenomen voor The Black Riders’ debuutalbum ‘The guns are rested’. Alle songs zijn live in de studio ingespeeld en met slechts wat overdubs op cd gegooid.

In een bekend rock-‘n-roll concept – een bezetting van gitaar, zang en drums – wordt er een potje gerockt met een country- en westerninslag. Als je Ben Martins fragiele solowerk of electropopvehikel I Am Cereals kent en weet dat hij klassiek geschoold en jazzgitarist is en Prowaznik een gerenommeerd jazzdrummer, ben je verrast hoe rauw, bluesy en luidruchtig de twee klinken.

De droge productie vangt de levendige energie die The Black Riders uitstoten in de uptemponummers. In blues gedrenkte rock met de pedaal geloopte distorted baslijnen en wervelend, groovend slagwerk. Opener ‘Chasing rabbits’ zet de vettige, ronkende toon en ‘Reflect your behaviour’ vlamt door met een psychedelische, gevaarlijke uitwaaiering met onderbuikgevoel. In de titelsong kabbelt een verhalend bluesriffje voorbij met steady seventies gitaaruithalen op een rustige slag, kietelt een postrockriffje sfeervol de oren en zingt de stem van Martin lijzig en verleidelijk. ‘The ambush’ bluesrockt weer als een dolle.

Dan ineens een melodieuze popsong, een lyrische ballade nog wel (‘The buzzard’), opgevolgd door een nog tragere bluesballad (‘Wait for your arrival’). Het zakt in en kabbelt verder in ‘The home in your heart’. Ook al zit het instrumentale ‘Freight train symphony’ knap in elkaar, ze raken de aandacht kwijt.

Het album hinkt op drie benen. De bluesrocksongs zijn best lekker, al zijn ze nergens vernieuwend. De poppy songs (met ‘On The Horizon als beste met naar The Edge neigende riff) zijn goed gepend en behept met enige hitpotentie, maar ons inpakken, neuh. De instrumentals scheppen een plezierige, experimentele ambiance, maar meer ook niet. Omdat alle songs gejamd klinken, duren ze vaak net wat te lang om het spannend te houden.

We merken dat The Black Riders het wel degelijk in huis hebben, muzikaal en technisch. En we begrijpen de combi wel, maar een doeltreffende keuze is nodig voor een optimale tweede plaat en het overstijgen van de middenmoot. Richt je op de vette bluesrock of overtuigende popsongs, ga de diepte in, hou het kort(er)! Het lijkt potdorie wel bandcoaching, maar die gedachte dringt zich simpelweg op … Aardig begin.

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: The Black Riders
* Album: The guns are rested
* Record company: Violet Noise Records
* Jaar: 2010
* Track list: Chasing rabbits / Reflect your behaviour / The guns are rested / The ambush / The buzzard / Wait for your arrival / The home in your heart / Freight train symphony / On the horizon / Overnight express / The manifest / Apache avalon

© Cutting Edge — 20 Jun 2010
images © Violet Noise Records/Hoanzl

Link: CD review The Black Riders, ‘The guns are rested’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Room 204, ‘Balloons’

juni 13, 2010

Klein snoepje voor de noiserockliefhebber

Room 204 komt na een stilte van vier jaar plots met het nieuwe album ‘Balloons’. Het instrumentale gitaardrum duo opereert al sinds 2001, toch is de opvolger van het goed ontvangen plaatje ‘Trans panda’ pas de derde schijf van snarenplukker Aymeric Chaslerie en Pierre-Antoine (ook drummer van Paper Tiger). En dan is het er ook nog eens eentje die de term album een beetje het nakijken geeft.

Zo kort en krachtig heb ik een plaat in dit vaak overdadige genre nog maar zelden gehoord. Hoewel het duo grossiert in noise-mathrock houden ze er qua tracklengte een verfrissende punkinstelling op na. Langer dan anderhalve minuut haalt bijna geen nummer, afgezien van ‘Patrickswayze’, dat rond de drie minuten klokt. En alle acht tracks op ‘Balloons’ komen in totaal slechts op 19 minuten en 25 seconden.

Is dat frustrerend en te kort? Nee. De heren zeggen – al blijft het instrumentaal zonder zang – in die korte tijd eigenlijk alles wat ze muzikaal kwijt willen, zonder overhaast of afgeraffeld of te eentonig te klinken. Over de technische en muzikale hoogstandjes valt niet klagen, over de productie evenmin. Je kunt er als fan hoogstens ontevreden over zijn dat je zolang hebt moeten wachten op een nieuw album en dat je het dan met zo weinig moet doen.

Hier wordt dus een staaltje efficiënt genoise- en mathrockt. Met grote precisie en met veel energie gebracht. Vooral venijnig, maar je krijgt ook wel een paar seconden rust zo af en toe. Net als wat flarden melodie om aan vast te klampen. Het werk is subtiel en strak in elkaar gestoken. Er gebeurt veel. Het is een kleine stoot adrenaline. Het had ook niet meer moeten zijn want ondanks de lengte van ‘Balloons’ is het toch best vermoeiend luisteren.

De meeste tracks zijn delicate, kristalheldere arpeggio’s met staccato, opjagende en snijdende riffs boven op opvliegend en pompend drumwerk. Veel tegendraadse ritmewisselingen en beheerste ranzig- en gruizigheid met spetterende crescendo’s. Het vliegt alle kanten op, buitelt over elkaar heen en vult elkaar aan. De twee zijn retestrak op elkaar gefocust. Er wordt wat gefriemeld tussendoor, maar beide heren stuwen elkaar naar grotere hoogte door ieder hun ding te doen zoals het hoort.

Niks bijzonder nieuws, wel een hele goede en spannende uitvoering. ‘Balloons’ is een klein snoepje voor de liefhebbers. Je hoeft er niet elke dag eentje, als je het hebt geproefd, heb je voor even genoeg. Een bijzonder smaakje dat niet voor elke fijnproever is weggelegd, maar wel om van te genieten. Je grijpt er nog wel eens naar, soms, als je er op dat moment zin in hebt.

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Room 204
* Album: Balloons
* Record company: Kythibong Records
* Jaar: 2010
* Track list: Bar diving / Race to death / Plate pan / Patrickswayze / Baseball party / The chinese plot / Hey friendly J.! / Dried man goes

© Cutting Edge — 13 Jun 2010
images © Kythibong Records/Mandai Distribution

Link: CD review Room 204, ‘Balloons’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Woven Hand, ‘The threshingfloor’

juni 6, 2010

Bijbelse sturm und drang met wereldse invloeden

Is het puur toevallig dat op het moment dat deze review wordt geschreven ineens de wolken openbreken voor een flinke stortbui met onheilspellend onweergerommel? Laten we het er op houden dat het zeer toepasselijk is voor het beluisteren van het zesde album ‘The threshingfloor’ van Wovenhand. Amerikaanse singer-songwriter David Eugene Edward, ex-enigmatische brein en de stem achter 16 Horsepower, grossiert in meeslepende en intrigerende, devote muziek van het zware broeierige type. De Bijbelse religieuze insteek en mystieke Christelijke goderende teksten zijn niet troostend. Niet bedoeld om je aan te warmen. Wovenhand belicht eerder de duivelse, apocalyptische, weinig hoopvolle kant. Toch laat de domineeszoon, bijgestaan door drummer Ordy Garrison en oud 16HP-bassist Pascal Humbert, hier zijn toorn wat minder hard op je neerdalen.

Altijd ronddwalend in een combinatie van gepassioneerde gothic rock, duistere folk en alt.country en bezielde gospel is er op ‘The threshingfloor’ namelijk plaats geruimd voor wat lichtinval, al blijft hij trouw aan de Bijbelse sturm und drang. Zo versmelt in ‘Singing grass’ de akoestische gitaar als voorheen met sfeervolle strijkers maar klinkt het toch lichtelijk anders. Bovendien zijn er allerlei wereldse invloeden doorheen gegooid. Zou Edward het boeddhisme hebben ontdekt? In elk geval wel de Indiase bhangra beats en tabla (‘A holy measure’). Opperhoofd Edward bezweert met gechant de natives die rond het kampvuur hun regendans uitvoeren (‘Raise her hands’) en ‘Terre haute’ is gelardeerd met de klank van een Hongaarse fluit (Peter Eri). Zijn unieke gehuil recht uit de ziel, klinkt even getormenteerd als teder.

Eerst trok de muziek je onomwonden naar de donkerst denkbare krochten. Nu mogen we met gesloten ogen, half mediterend wegzakken in onze eigen gedachten. Zonder echt kippenvel te krijgen van de altijd in zijn songs rondhangende dreiging van doem en het einde der dagen. Speciale vermelding verdient de cover van New Order’s prachtige ‘Truth’. Bewonderenswaardig is hoe de dramatische industriële sound bewaard is gebleven maar nu een ander gevoel oproept, omdat Edward er warmte in heeft weten te brengen. Als een soort bezwerende ‘zonnige’ Swans-track.

‘His rest’ is een fijn rustpuntje in de overwegend uptempo songs, maar tegelijk ook het minste nummer en alleen bij het afsluitende ‘Denver city’ wordt er als vanouds gealtrockt. Het is een fascinerend album. Niet alle elf geweldig, maar wel zijn meest interessante cd qua invloeden en combinaties sinds het begin van zijn Wovenhand carrière.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Woven Hand
* Album: The threshingfloor
* Record company: Glitterhouse/Munich
* Jaar: 2010
* Track list: Sinking hands / The threshingfloor / A holy measure / Raise her hands / His rest / Singing grass / Behind your breath / Truth / Terre haute / Orchard gate / Wheatstraw / Denver city
* Info: Wovenhand speelt op 14 juli in Doornroosje (Nijmegen, NL) en 15 juli op het Dour Festival (BE)
* Concert: Woven Hand, Ólafur Arnalds, AB Brussel

© Cutting Edge — 06 Jun 2010
images © Glitterhouse Records/Munich

Link: CD review Woven Hand, ‘The threshingfloor’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Various Artists, ‘Moshi Moshi singles club vol. 2’

mei 30, 2010

Als een mixtape met nieuwe hete bandjes

Het idee van Moshi Moshi Records voor Singles Club is uit een prachtgedachte geboren: liefde voor de 7″-single. En zinnig is de ingeving van de twee mannen Stephen Bass en Michael McClatchey achter het coole Engelse platenlabel ook nog eens. Dit platform biedt een opstap aan nieuwe artiesten en het plaatje kan snel de winkels in. Je moet het ijzer smeden als het heet is, nietwaar. De carrières van aanstormende talenten zoals Lykke Li, Kate Nash, Late of the Pier, Friendly Fires werden er succesvol mee gelanceerd. ´Vol. 1´ met singles uit 2006-2008 wordt nu opgevolgd met ´Moshi Moshi singles club vol. 2´. Een verzameling van de 7”’s van 2008 tot nu in chronologische volgorde.

Er zijn behoorlijk wat stijlen door elkaar gepleurd: van garagerock tot elektro/dance en krautrock naar nu-folk. De enige constante is dat het inventieve, opkomende artiesten zijn. Vanaf Florence And the Machines ´Kiss with a fist´, meteen de bekendste track, zijn alle nummers van een hoogstaande kwaliteit. Er zit niets tussen wat je niet lust, het zakt nergens echt in, al zijn er mindere bij (Cocknbullkid en Samuel & The Dragon). Toch is dit een goede manier om intrigerende muziek te leren kennen. Had je de bands zelf al gespot (zo ja congrats, je bent hip en helemaal bij) dan is het nog heel plezierig dat ze samen op één tof schijfje staan. De vibe is over het algemeen ook lekker zomers.

Moeten we er toch een paar bands uitvissen dan raden we je dansvloerschuiver ´Rosenrod´ van Diskjokke aan, het naar het vroege Arcade Fire werk knipogende ´Drowning men´ van Fanfarlo (je denkt serieus even dat je een verloren track te pakken hebt), de momentele hype The Drums met ´Let’s go surfing´ (een Joy Division-baslijn, blij gefluit, een kietelend gitaarrifje, snuifje Beach Boys; poppy en mega aanstekelijk) en het meeslepende ´Into the heart´ van Mirrors.

‘Vol.2’ voelt alsof je weer eens een mixtape met hete bandjes die je gehoord moét hebben, in handen gedrukt hebt gekregen. Dat gevoel spreekt natuurlijk alleen muziekfreaks ‘op leeftijd’ aan, want nowadays hoef je maar op het web te snuffelen en te klikken voor hetzelfde resultaat. Wij zaten vroeger klaar met de cassetterecorder om als een gek op de recordknop te drukken als er een vet nummer voorbijkwam. Die tape kopieerde je dan voor je vrienden. Zo ging dat, samen spannende muziek ontdekken.

Schaf vooral ook ´Vol. 1´ aan, want dan heb je gewoon alle A-kanten van elke single die Moshi Moshi Records ooit de wereld in heeft geslingerd. Dit soort warmhartige initiatieven moeten we koesteren.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band: Various Artists
* Album: Moshi Moshi singles club vol. 2
* Record company: Moshi moshi records
* Jaar: 2010
* Track list: Kiss with a fist – Florence And The Machine / No pins allowed – James Yuill / Gront lys i alle ledd – Casiokids / Good thing it’s a ghost town around – Still Flyin’ / I’m not sorry – Cocknbullkid / Drowning men – Fanfarlo / Rosenrod – Diskjokke / Sex in the city – Bless Beats & Janee feat. Double S/ Swingin’ party – Kindness / Let’s go surfing – The Drums / Into the heart – Mirrors / Diamonds on a boat – Samuel & The Dragon / Silverfish – Signals / Ghost train – Summer Camp

© Cutting Edge — 30 May 2010
images © Moshi Moshi Records

Link: CD review Various Artists, ‘Moshi Moshi singles club vol. 2’  (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Red Sparowes, ‘The fear is excruciating, but therein lies the answer’

mei 19, 2010

Melodieuzer en emotievoller

In 2005 werden we heftig opgeschrikt door de uit diverse bands samengebalde Red Sparowes en hun epische uitgesponnen postrockplaat ‘At the soundless dawn’. Na een live tussendoortje verscheen ‘Every red heart shines toward the red sun’ in 2006. Een even imponerende plaat, nog gewelddadiger en zwaarder, die liet horen dat ze hun eigen muzikale plek verdienden tussen de groten der postrock: Explosions In The Sky, Godspeed You! Black Emperor, Mono, Mogwai en ook Sunn O))).

Na drie splitalbums stapte Neurosis-held Josh Graham op. Isis-gitarist Bryant Clifford Meyer vervangt hem voor de sterke ‘Aphorisms’ EP (2009). Op het derde studioalbum ‘The fear is excruciating, but therein lies the answer’ bestaat de bezetting nog steeds uit Meyer en Angel Hair-gitarist Andy Arahood (beide elektrische piano/synth/zang), Halifax Pier’s Greg Burns (bas/pedalsteel/vocalen), David Clifford van The Vss en Pleasure Forever (drums/percussie/zang). Maar voor het eerst horen we aanwinst Emma Ruth Rundle (gitaar/zang) van het onbekende The Nocturnes. En ook zijn de ellenlange, intelligente songtitels verdwenen.

Levert Red Sparowes 2.0, opgenomen door Toshi Kasai (Melvins, Tool), een progressiever geluid op? Het is gissen of het aan de vrouwelijke input ligt maar deze plaat is wel hun meest melodieuze, emotionele ‘songgerichte’ album tot nu toe. Het begint fluisterend, een dikke gitaardelay en pedalsteel vullen de ruimte, zwellen aan, echoën. Al snel worden we omgeven door triomferend drumwerk en hemelse riffs. Net als je denkt dat je opstijgt en meevliegt leidt een funky baslijn en subtiel slagwerk ‘In illusions of order’ in. De gitaarlagen voorspellen een sonische stortbui, dikke wolken pakken samen, de pedalsteel zorgt voor een hoopvol streepje voor het onweer licht losbarst.

Prettige wegluisterende nummers als ‘A hail of bombs’ en ‘In every mind’ tonen een minder avontuurlijke aard. Maar het verwoestend prachtige ‘Giving birth to imagined saviors’ geeft perfect weer dat er een betere balans is gevonden tussen dat intens heftige van weleer en de nieuwe emotievollere invalshoek. In songs als ‘A swarm’ en ‘A mutiny’ is bovendien een flinke scheut psychedelica aan de conventionele hard-zacht-dynamiek toegevoegd. Met de albumsluiter blaast Red Sparowes ons dan eindelijk van de sokken met de enige èchte noise climax die het album rijk is.

De open volle productie plaatst het cinematische in breedbeeld op het witte doek. De wanhoop snijdt dieper dan ooit in de ziel. Deze plaat brengt Red Sparowes subtieler, vloeiender en moeitelozer naar een hoger, volwassener en even geweldig niveau.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Red Sparowes
* Album: The fear is excruciating, but therein lies the answer
* Record company: Conspiracy Records
* Jaar: 2010
* Track list: Truths arise / In illusions of order / A hail of bombs / Giving birth to imagined saviors / A swarm / In every mind / A mutiny / As each end looms and subsides

© Cutting Edge — 19 May 2010
images © Conspiracy/Konkurrent

Link: CD review Red Sparowes, ‘The fear is excruciating, but therein lies the answer’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Broken social scene, ‘Forgiveness rock record’

mei 16, 2010

Een logisch en interessant vervolg

Voor de creatie van ‘Forgiveness rock record’ (hierna ‘Frr’), de vierde schijf van het Canadese indiecollectief rond Brendan Canning en Kevin Drew, is natuurlijk weer een reeks gasten ingeschakeld om een handje te helpen: Feist, Metric-zangeres Emily Haines, Stars’ Amy Millan en peeps van Do Make Say Think, The Sea & Cake en Spiral Stairs. Al vormen de zes van de BSS-tour-ine-up de kern.

Geluidsarchitect David Newfeld werd ingewisseld voor bandheld John McEntire (Tortoise/The Sea & Cake-drummer). Dat heeft ervoor gezorgd dat het album minder chaotisch en ruimtelijker overkomt en samenhangend en gefocust klinkt. Bij ‘Broken social scene’ (2005) waren er te veel koks in de keuken hun eigen speciale gerechtje aan het bereiden. Op ‘Frr’ is het recept vantevoren besproken en een taakverdeling gemaakt, zodat iedereen uit kan blinken zonder dat het uit elkaar valt. Ondersteund door een mooie heldere productie en het feit dat McEntire de nadruk op andere details heeft gelegd: meer pop-feel en de electronica is wat naar voren geschoven.

De harmonieën, de gelaagdheid en uitbundige instrumentatie mogen ondertussen een Broken Social Scene-kenmerk heten, net als het enthousiasme waarmee het wordt gebracht. Ook de stijl van afwisselend groots uitpakkende nummers, zoekende jams en schattige, ingetogen songs is vastgehouden. En toch was het behoorlijk wennen aan die eigenlijk kleine maar ingrijpende veranderingen. Drieënzestig minuten en veertien songs lang word je herinnerd aan waarom je ze ook alweer zo goed vond. Het blijkt gewoon anders verpakt en beter in elkaar gestoken.

Een nummer klinkt als Pavement, een ander als Talking Heads (‘Forced to love’) of Flaming Lips (‘Texaco bitches’). In de immense instrumental ‘Meet me in the basement’ wordt op zijn Motorpsycho’s opstuwend naar een climax gewerkt, synthpopkanjer ‘All to all’ dwingt af dat de voetjes van de vloer gaan, in het pulserende ‘Sentimental x’s’ komen de vrouwelijke vocalen prachtig samen, ‘Highway slipper jam’ kabbelt akoestisch en sferisch als Yo La Tengo, ‘Sweetest kill’ en ‘Romance to the grave’ ademen luchtige melancholie en de afsluitende gewichtloze ballad is een grappige ode aan masturbatie (‘Me and my hand’).

‘Frr’ is dus een logisch, interessant vervolg. Een voortborduren op een gevonden geluid en uitkristalliseren van wat Broken Social Scene al was. Een bijzonder gezelschap met avontuurlijke muziek. Alleen laat de eerste helft horen dat ze ook sterke popmelodieën en echte liedjes in huis hebben en tonen de laatste songs hun bekende fragmentarische, eigenwijze smoel.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

* Band: Broken social scene
* Album: Forgiveness rock record
* Record company: CitySlang / V2 Music
* Jaar: 2010
* Track list: World sick / Chase scene / Texaco bitches / Forced to love / All to all / Art house director / Highway slipper jam / Ungrateful little father / Meet me in the basement / Sentimental x’s / Sweetest kill / Romance to the grave / Water in hell / Me and my hand
* Info: Broken Social Scene speelt op dinsdag 18 mei in de Amsterdamse Melkweg.
* Concert: Broken Social Scene presents Kevin Drew

© Cutting Edge — 16 May 2010
images © City Slang/V2

Link: CD review Broken social scene, ‘Forgiveness rock record’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Josh Ritter, ‘So runs the world away’

mei 12, 2010

Grote klasse

De uit Idaho afkomstige songbard had moeite met songs schrijven voor zijn vijfde studioalbum en opvolger van ‘The historical conquests of Josh Ritter’. Hij zat in een dipje. Ritter had bereikt waar hij altijd naar had gestreefd: veel optreden en als schrijver eindelijk op handen gedragen. Het voelde alleen niet goed, hij verloor het vertrouwen in zijn eigen kunnen en originaliteit. Josh heeft dus hard gezocht naar inspiratie en die ontdekkingstocht is ‘So runs the world away’ geworden. Er staat niet voor niets een negentiende-eeuwse stoomboot op de hoes. Maar ontdekken is hier ook een metafoor voor het eenzame leven, aldus Josh.

Het blijven melancholieke, folky en altcountry singer-songwriterliedjes natuurlijk. Toch zit er behoorlijk wat variatie in binnen de grenzen van het genre. Ritters wonderschone, hemelse stem krijgt gelukkig overal voorrang op de ontzettend rijke orkestratie. Van blazers tot loops tot belletjes tot piano en orgel. Hij schuurt soms tegen overorkestratie aan en het zijn ook vrij lange songs, waardoor het wel moeite vergt alles te behappen. Af en toe vinden wij: minder is meer.

Hoewel het een echte groeiplaat is en deze zich pas na meerdere keren luisteren werkelijk aan je openbaart en je ook moet wennen aan de ingeslagen weg van Ritter – al moet je dat eigenlijk met elk album omdat hij zichzelf nooit herhaalt – staan er ook direct goed in de oorschelp vallende liedjes op. Zoals het poppy ‘Change of time’ dat je meteen meezingt en het zwierig walsende ‘The curse’.

Zijn muzikale voorbeelden klinken nog steeds door: Bob Dylan in ‘Long shadows’, ‘Lark’ is qua zanglijn en omlijsting erg Paul Simon, in het rockende ‘Lantern’ horen we Bruce Springsteen terug en in ‘Rattling locks’ Nick Cave of Leonard Cohen. Ritter wordt altijd met deze (folk)beroemdheden vergeleken en hij maakt er ook dankbaar en humoristisch gebruik van, zoals in ‘Folk bloodbath’, waarin hij refereert aan Delia, Stagger Lee, Louis Colins en in het refrein met ‘the angels laid him away’ aan Mississippi John Hurt.

Het is onbetwistbaar Ritter die machtig mooie songs brengt op zijn manier. Vol emotie, puurheid, verhalend en literair, daarmee een eigen plek verdienend in de rij der groten. De ultieme albumparel is het bij de keel grijpende ‘Another new world’. De waterlanders springen spontaan in de ogen. Ritter onderstreept alleen al met dat nummer zijn enorme klasse en toont wederom aan dat hij één van de meest getalenteerde singer-songwriters van het moment is. Eentje die we grondig moeten koesteren. Prachtplaat!

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Josh Ritter
* Album: So runs the world away
* Record company: V2
* Jaar: 2010
* Track list: Curtains / Change of time / The curse / Southern pacifica / Rattling locks / Folk bloodbath / Lock / Lantern / The remnant / See how man was made / Another new world / Orbital / Long shadows

© Cutting Edge — 12 May 2010
images © Pytheas/V2

Link: CD review Josh Ritter, ‘So runs the world away’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Octoberman, ‘Fortresses’

mei 5, 2010

Goede ontwikkeling, maar net niet boeiend genoeg

Singer-songwriter Marc Morrissette aka Octoberman trekt de muzikale lijn van ‘Run from safety’ door op ‘Fortresses’ en neemt nog meer afstand van zijn debuut ‘These trails are old and new’, waarop hij als folky troubadour te horen is. De focus is verschoven naar alt.country met indierock invloeden. Morrissette haalde er voor zijn derde schijf opnieuw muzikanten bij om een rijkere sound neer te kunnen zetten. De Canadees besloot bovendien in plaats van het album thuis in Vancouver op te nemen, te werken met twee fameuze producers: met Dave Draves (Julie Doiron, Kathleen Edwards) in Ottawa (Ontario) en in Portland (Oregon) met Larry Crane (Elliott Smith, Cat Power).

Daardoor klinkt Octoberman strakker dan ooit – dan bedoelen we minder rammelend want het loopt niet helemaal in de pas – en veel meer als een hechte band. Je hoort ook niet dat er twee man aan het materiaal hebben gesleuteld. ‘Fortresses’ is tegelijk een gevarieerd als consistent plaatje. Het album laveert tussen softe, kabbelende nummers als dweiler ‘Portland hotel’ en midtempo songs. Alles voelt losjes en laidback aan, zeker waar de luchtige trompet- en pianoklanken een grotere rol spelen. Morrissette heeft ook een nadrukkelijk thema gekozen voor zijn gevoelige liedjes. De eenvoudige teksten gaan over allerlei relaties, tussen een fan/blogger en de muziek/band (‘The Backlash’), tussen naburige landen en natuurlijk tussen man en vrouw (‘Dancing with her ghost’).

Octoberman lijkt zoekend naar zijn best passende jasje. Soms valt het goed, soms minder. Halverwege ‘Fortresses’ lijkt hij zijn snit wat te hebben gevonden. Af en toe dringt het idee zich op dat als het een tandje sneller zou gaan of juist langzamer, de songs een blijvendere indruk achter zouden laten. Hoewel we zeker waarderen dat Morrissette zich probeert te vernieuwen en ontwikkelen vinden we toch de folkliedjes met een schamelere sfeervolle invulling zoals ‘Trapped in a new scene’ en ’51’ zijn sterkere songs. Ook de nummers waar Marc vocaal subtiel wordt bijgestaan door de dames Leah Abramson (The Abramson Singers) en Sarah Hallman, waaronder het vrolijk tokkelende ‘Thirty reasons’ en ‘I was wrong’, springen er meer uit.

Het album krijgt ons maar niet te pakken. Het klinkt zo binnen de lijntjes van het singer-songwriter-genre gekleurd en het ‘lijkt vaak op’. Dan komt heel eventjes Bonnie Prince Billy (’51’) voorbij, dan weer Neil Young (vooral het gitaarwerk) en soms Stephen Malkmus. Dat kan ook een smoelwerk zijn, maar het maakt het er in elk geval naar dat deze schijf nèt niet bekoort op die enkele boeiende liedjes na.

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Octoberman
* Album: Fortresses
* Record company: White whale
* Jaar: 2010
* Track list: The backlash / Dancing with her ghost / Trapped in the new scene / I know a nurse / Thirty reasons / Temptation is a bloody mess / I was wrong / 51 / Scenesters / Ceiling floor / Another trial / Portland hotel
* Info: 9 mei speelt Octoberman in De Onderbroek in Nijmegen

© Cutting Edge — 05 May 2010
images © White Whale Records

Link: CD review Octoberman, ‘Fortresses’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Pearly Gate Music, ‘Pearly gate music’

mei 5, 2010

Oorstrelend mooi debuut

Het talent stroomt door de aderen bij de familie Tillman! Pearly Gate Music, oftewel Zach Tillman, is het jongere broertje van Josh Tillman. Die ken je als Fleet Foxes drummer, maar ook als singer-songwriter. Zach speelt bas en zingt mee in de begeleidingsband van zijn broer als hij zijn liedjes live brengt. Zach vond het hoog tijd om in zijn voetsporen te treden en heeft een snoepje van een debuut bij elkaar gemusiceerd (met Josh op drums/backing vocals): negen bezwerende folkpoppareltjes, dromerige warme slaapkamerliedjes.

Hoewel er zeker een gelijkenis is tussen de broertjes, is er ook verschil. De engelachtige, gelaagde vocalen liggen in elkaars verlengde en dat ze fan zijn van Neil Young is kraakhelder, maar Zach pakt het muzikaal ietsjes anders aan. Hij schrijft mooie, eenvoudige maar niet voor de hand liggende songs die bedachtzaam opgebouwd zijn rondom zijn expressieve, intense stem en gevoel voor melodie. Elk liedje op ‘Pearly gate music’ staat op zichzelf. Het ene klinkt fuzzy en lo-fi alsof het met een 4-track is opgenomen, terwijl andere een vollere begeleiding hebben gekregen. Voller is nog steeds redelijk spaarzaam. Casio keyboard, akoestische gitaar en sfeervolle omlijstingen zoals finger snaps, tamboerijn, voorzichtige percussie of een zweem violen. Meer heeft Zach niet nodig om zijn innemende verhaaltjes, variërend van verstilde emotievolle ballads tot aanstekelijke rockers, beeldend te brengen.

Ondanks dat de songs een melancholiek randje hebben, wordt het nergens te zwaar. Je valt van de ene in de andere gemoedstoestand. ‘Golden funeral’ pakt de aandacht met een broeierige spanning, van ‘Big escape’ krijg je de lente in de bol net als van het gefloten refreintje in ‘Navy blues’. In ‘Gossamer hair’ gaat het van een tedere ballad plots naar een energieke uitbarsting, The Mamas and Papas weerklinken in ‘Bad nostalgia’ en in ‘Oh, what a time!’ zijn de Tillman-broers ineens The Everly Brothers. Het schitterende ‘If I was a river’ komt recht uit Zach’s hart gestroomd. Je denkt onherroepelijk aan Roy Orbinson door die pure stem, liefdevol ondergedompeld in een echobadje. Hij snijdt je ziel doormidden: ‘If I was your labdog (schoothondje), I’d forget everything and just sleep. If I was your labdog you’d know where I’d be.’ Aaaach.

Wat een schoonheid. Als Zach straks aankomt bij de hemelpoort hoeft hij niet aan te kloppen. De pearly gates zullen verwelkomend openzwaaien. Dit soort oorstrelende muziek toont hoe hemels het paradijs moet zijn. We verwachten wel dat hij de genoemde namen en het sing-song genre de volgende keer overstijgt.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Pearly Gate Music
* Album: Pearly gate music
* Record company: Bella Union Records
* Jaar: 2010
* Track list: Golden funeral / Big escape / Navy blues / Oh, what a time! / I woke up / Gossamer hair / I was a river / Bad nostalgia / Rejoice

© Cutting Edge — 05 May 2010
images © Bella Union

Link: CD review Pearly Gate Music, ‘Pearly gate music’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Sivert Høyem, ‘Moon landing’

april 28, 2010

Een gloedvolle winterplaat

Sivert Høyem was de zanger van die geweldige, helaas ter ziele gegane Noorse band Madrugada. In 2007 overleed gitarist Robert Burås en na nog een laatste tournee in 2008 ter ere van hun meesterlijke snarenplukker en zwanenzang ‘Madrugada’ viel het doek. Alle leden bleven uiteraard muzikaal actief. Høyem had al twee soloplaten op de wereld gezet, dus het was simpelweg wachten op zijn volgende. Dat is ‘Moon landing’ geworden, opgenomen met een zestal bevriende muzikanten.

Alleen zijn donkere, zalvende en in fluweel verpakte stem vol weemoed en verlangen is al bijna een garantie op een prachtplaat. De sfeervolle begeleiding mag er ook zeker wezen. De gitaarlijnen van Cato Thomassen (frontman Cato Salsa Experience, invaller bij de laatste tour en lid van onder meer Gluecifer) doen onherroepelijk denken aan Burås.

Je hoefde natuurlijk ook geen bijzonder radicale koerswijziging te verwachten. ‘Moon landing’ biedt meer uptempo rocksongs en psychedelische tonen en iets minder folk dan de voorgaande twee schijven. Hoewel Sivert er alle reden toe had, is het geen loodzware duistere plaat geworden. Wel eentje die bol staat van gevoel. En er zijn warempel ook licht optimistische momenten te ontwaren.

Het epische, dramatisch nummer ‘Belorado’, dat meteen negen minuten klokt, zet de toon. In de titelsong – een redelijk toegankelijk klinkend pop noir nummer – komt een vermakelijke Dire Straits gitaarrif voorbij en er wordt elegant en lekker gebluesrockt in het sinistere ‘What you doin’ with him’. Alleen ‘The light that falls among the trees’ en het slepende ‘Going for gold’ brengen wat rust. In ‘Lost at sea’ horen we Sivert en zijn muzikale makkers puntig rocken en ‘Shadows/high meseta’ is het psychedelische, Doors-achtige hoogtepunt. Een langzaam opbouwend nummer dat alsmaar groeit en groeit tot een schitterend crescendo. Kippenvel.

‘Moon landing’ is een gloedvolle winterplaat met bezielde nummers, zonder al té overdreven pathos. Niet iedereen is meteen door het dolle bij een eerste zomerse zon. Zo hebben de ‘depressivo’s’ onder ons ook nog wat om in de cd-speler te schuiven en om van te genieten.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Sivert Høyem
* Album: Moon landing
* Record company: Hektor Grammafon
* Jaar: 2009
* Track list: Belorado / The light that falls among the trees / Moon landing / What you doin’ with him / Going for gold / Lost at sea / Shadows/high meseta / Empty house / High society / Arcadian wives

© Cutting Edge — 28 Apr 2010
images © Hektor Grammafoon

Link: CD review Sivert Høyem, ‘Moon landing’ (2009) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Walls, ‘Walls’

april 25, 2010

Subliem mindblowing debuut

Sam Willis (Allez-Allez) en Alessio Natalizia (de ene helft van Banjo or Freakout) ontmoeten elkaar in 2009. Willis wordt gevraagd de single ‘Mr. no’ te remixen. De twee merken op dat de combinatie van Alessio’s gitaarspel en spookachtige, psychedelische vocalen met Sams emotievolle synthlijnen, obscure krautrockexperimenten en samplemanipulaties een magische, hemelse samensmelting oplevert. Ze beginnen files uit te wisselen en bijna moeiteloos ontstaan er prachtige songs. Willis – een van de mannen achter de innovatieve Londense elektronicablog en dj-team Allez-Allez én talentvol remixer van Hot Chip en Fever Ray – lekt in oktober een eerste track, genaamd ‘Burnt sienna’ (een andere versie dan op het album). Die wordt opgepikt, bewonderd door diverse blogs en ook de mensen van het Kompakt-label zitten meteen op het puntje van hun stoel. Binnen een paar maanden lag dit bloedmooie album ‘Walls’ er. Een verbluffend ambient-synthpopmeesterwerk met een zeker indiegevoel.

Walls rekt de grenzen van het genre op. Het is nog redelijk makkelijk om noisy moeilijke muziek te maken. Wat het duo zo ontzettend goed doet en onderscheidt van andere geluidskunstenaars, is dat ze ervoor zorgen dat het heel natuurlijk klinkt en ook nog melodieus en euforisch blijft. Melancholie wisselt met gemak af met hoop en een gelukzalig gevoel. De dikke klankwolken hebben iets kalmerends en wollig dromerigs als ze voorbijtrekken, maar zijn tevens licht swingend. Analoog vermengt zich met digitale grondlagen. Speelse gitaarloops, liefdevolle synths en krautrock, plagende of zalvende drums en heldere melodieën met shoegaze-ondertonen drijven voorbij als herinneringen. De productie is open en weids. Hypnotiserend organisch.

Albumopener ‘Burnt sienna’ is een van de mooiste nummers en bij een eerste draaibeurt pakt het je direct bij de oren. Een wervelend, atmosferisch nummer dat zich ontvouwt met een laag synths en basdrones en tot majestueuze hoogte stijgt. ‘Walls’ laat je de rest van de acht tracks niet meer los. In ‘Hang four’ spoort een slowmotion-techno met Allessio’s weelderige gitaarrifs. ‘Cyclopean remains’ klinkt alsof Animal Collective en Boards of Canada samen een jam hebben gemaakt: epische vervreemding en een verpletterende schoonheid op het hoogste cerebrale niveau.

Er zijn niet genoeg woorden te vinden om er lyrisch over te zijn. ‘Walls’ is een vernieuwend, verfrissend, werkelijk subliem en mindblowing debuut! De repeatknop vertoont inmiddels slijtage en we vrezen dat we ‘m moeten gaan vervangen. ‘Walls’ is verslavend onweerstaanbaar.

CuttingEdge SCORE: 5 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Walls
* Album: Walls
* Record company: Kompakt / N.E.W.S.
* Jaar: 2010
* Track list: Burnt sienna / Hang four / A virus waits! / Cylopean remains / Soft cover people / Strawberry sect / Gaberdine / Austerlitz wide open

© Cutting Edge — 25 Apr 2010
images © Kompakt

Link: CD review Walls, ‘Walls’ (2010) bij CuttingEdge

Recensie: Nice Nice, ‘Extra Wow’

april 18, 2010

Overrompelend caleidoscopisch Warp-debuut

Warp Records heeft weer een glimmende aanwinst binnengehaald. Het duo Jason Buehler en Mark Shirazi uit Portland (Oregon), sinds een decennium opererend als Nice Nice, heeft een overrompelend debuut afgeleverd. ‘Extra wow’ overspoelt de luisteraar met golven extatische, kosmische, psychedelische klanken, onderzoekende lagen noisy distortion en (gitaar)effecten, stuwende (tribale) ritmes en elektronisch experimenten die gaan van dub over krautrock tot ambient.

‘Extra wow’ herbergt een constant ontvouwende collectie van caleidoscopische muzikale invloeden en stijlen. Elke track bouwt voort op de vorige en creëert zo een bevreemdend sonisch avontuur. Opener ‘Set and setting’ start met opkomende sitar-eske en keelklank-drones, later vervlochten met feedback-freakouts, een donderende drumpartij, spacy blieps, uitwaaierende synths en dreigende repetitieve vocalen. Een glorieuze, tegelijk verwarrende als intense bende klanken die naadloos overgaan in het pulserende ‘One hit’. Garagepunk-ruwheid wordt afgewisseld met een bak herrie om de weg opnieuw te vervolgen.

‘Everything falling apart’ bevat beladen cimbalen en gitaren, hamerende drums, echoënde vocalen en keyboardweefsels. Een soort lsd-trip in de lijn van Animal Collective, waar het dromerige op vettige breakbeats drijvende ‘Big bounce’ op voortborduurt. Bij hoogvlieger ‘See waves’ doemen beelden op van een rond het kampvuur dansende inboorling die langzaam in trance raakt door ophitsende afrobeats, percussie en chants.

Je buitelt echt van de ene in de andere weirde krocht. Vergeleken met de voorgaande albums, waarop de heren nog wel eens wilden verdwalen en verzanden in too much, is er beter gedoseerd. De plaat biedt enkele welkome momenten om op adem te komen. Want blijven voortrazen was te veel van het goede geweest. Nu zijn indringende noisetracks vol opzwepende energie en de benodigde rust in balans en is het als geheel beter te behappen.

De heren scoren sowieso punten voor de opbouw, want de volgorde van de dertien tracks dwingt een totaalervaring af. Flink opschudding veroorzaken met overdonderende noise, dan even wat ‘toegankelijker’ en dansbaarder om vervolgens de cooldown in te zetten met hypnotiserende ambient. Net zo’n ritueel als een typische stapavond eigenlijk. Vooraf indrinken en enthousiasmeren, dan uit de bol en in je bed bijkomen en chillen in de ochtenduren.

Je begrijpt dat dit geen gemakkelijk album is. Weinig melodie en veel om in te nemen, maar de eigenzinnige soundscapes trekken je mee de diepte in. Daar is het zalig rondscharrelen en wegdrijven.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Nice Nice
* Album: Extra wow
* Record company: Warp Records / V2
* Jaar: 2010
* Track list: Set and setting / One hit / A way we glow / On and on / Everything falling apart / Big bounce / See waves / A vibration / A little love / Double head / Make it gold / New cascade / It’s here

© Cutting Edge — 18 Apr 2010
images © Warp Records

Link: CD review Nice Nice, ‘Extra Wow’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Caribou, ‘Swim’

april 14, 2010

Een vloeiende injectie zomerse vrolijkheid

Het brein achter Caribou, Dan Snaith, wilde ‘Swim’ al creëren sinds hij zo’n tien jaar geleden muziek is gaan maken. De multi-instrumentalist en componist kreeg veelal lovende reacties op voorganger ‘Andorra’ (2007) en verdiende er Canada’s prestigieuze Polaris Music Prize mee. Maar de whizzkid zoekt telkens het experiment op, blijft spelen met geluiden en vindt zichzelf op elk album opnieuw uit. ‘Swim’ zou dan de optelsom moeten zijn van de eerder onderzochte stijlen.

Het is inderdaad een rijk georkestreerd, gelaagd album. Sonisch luxueus en elegant uitgevoerd. Vergeleken met ‘Andorra’ zijn de songs complexer opgebouwd. Met uiterste precisie, maar ze blijven toegankelijk. Je kunt stoned wegdromen. Alles glijdt zo aan de oren voorbij. Toch is het merendeels trancy materiaal ook zeer geschikt voor de dansvloer door de variërende ritmes. Snaith omhelst de zomerse pop stevig zonder zijn liefde voor elektronische patronen los te laten.

In opener ‘Odessa’ krijg je een injectie vrolijkheid toegediend die pas is uitgewerkt als de laatste toon wegsterft. Hoewel er een licht dramatische, ritmische basis wordt gelegd met disco en house zit in elke track een zonnestraaltje via belletjes, tamboerijn of een vreugdevol sampletje. Klanken worden samengesmolten tot er een regenboog aan de horizon verschijnt.

Een aai harp transformeert naar een resonerend dekentje van Tibetaanse belletjes (‘Bowls’), de synth golft als eb en vloed in ‘Kaili’ en een zweem sax en luchtige trompet meanderen over een eigenwijze, diepe bas en housebeats in ‘Hannibal’. De zangmelodieën, gebracht met een hoge, in echo gelardeerde, zweverige stem, nemen een prominente plek in en verleiden de luisteraar. Er is vocaal een mooie, kwetsbare glansrol weggelegd voor Born Ruffians’ Luke Lalonde in de op snijdende strijkers leunende track ‘Jamelia’.

Snaith zou zeshonderd ideeën hebben uitgeprobeerd voordat hij tot deze negen gloedvolle tracks kwam. Het voelt ook alsof ze er allemaal in zijn verwerkt tot er een vloeiend, trippy en levendig geheel ontstond. Het zit technisch en creatief verdomd ingenieus in elkaar, alsof hij het met het grootste gemak aan elkaar heeft gemixt. Als je de vorige schijf al leipe shit vond, ga je vast helemaal uit je dak van ‘Swim’.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Caribou
* Album: Swim
* Record company: Merge Records
* Jaar: 2010
* Track list: Odessa / Sun / Kaili / Found out / Bowls / Leave house / Hannibal / Lalibela / Jamelia
* Info: 21 april Paradiso (Amsterdam) / 22 april Beursschouwburg (Brussel)

© Cutting Edge — 14 Apr 2010
images © Merge Records

Link: CD review Caribou, ‘Swim’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Foxes in Boxes, ‘Better beheaded’

maart 29, 2010

Heftige underground indierock

Foxes in Boxes is de nieuwste aanwinst van het Luikse collectief (en independent label) Honest House, na Casse Brique (check ook even de review van hun album ‘Glumor’ bij CuttingEdge). Dit driekoppige rockmonster is tevens het nieuwste project van Taifun-lid Julien Dubois (bas/vocalen), waarin hij wordt bijgestaan door Geoffroy Tyteca (gitaar/vocalen) en Marc Swennen (drums).

Foxes in Boxes heeft vier experimentele lappen indierock op de allereerste EP ‘Better beheaded’ gezet. We horen vele duidelijke inspiratiebronnen voorbij komen in die zeventien en nog wat minuten. De noise uitpattingen en dissonante gitaarlijnen in de trant van Sonic Youth en Blonde Redhead, het melodieuze van Karate, het explosieve van At the drive-in en soms Explosions in the Sky, het math-rockerige vlechtwerk van Battles.

Die invloeden worden lekker door elkaar gemengd en aan elkaar gelijmd tot intense en sfeervolle nummers met een eigen identiteit. De beestachtige en zwaarmoedige songs worden gestaag opgebouwd, vaak tot een indrukwekkend crescendo. De melodie zit verborgen in de gitaar riffs en de drums vormen een logge, pompende en energieke basis voor een stevig onderbuikgevoel. Vanaf de eerste subtiele toon sleurt ‘Better beheaded’ je mee in de donkere krochten van hun muzikale, boeiende universum.

Het lenige, diepe en dragende basspel is onmiskenbaar Julien Dubois, maar hij komt hier woester en ongetemder uit de hoek. Ook zijn vocale input is vergelijkbaar met wat hij doet in Taifun. Zijn meeslepende praatzang, zoals Thurston Moore dat ook altijd zo schitterend kan, valt passend in de klanktapijten en is een verlichting van de zwaarheid van de nummers. De rauwe schreeuwzang van Tyteca, alsof door de duivel bezeten, staat op zich of flankeert Dubois. Ze vullen elkaar heel mooi aan.

Foxes in Boxes verstevigt de diversiteit en de samenhang van de muzikanten die Honest House vormen. De band is noisier en avontuurlijker dan de instrumentale post-math-rockcollega’s van Casse Brique. Beiden vallen echter in de categorie pure indierock gestoeld op eerlijke emotie, de filosofie van het gezelschap.

Met slechts 200 genummerde, met vakmanschap gecreëerde exemplaren van ‘Better beheaded’ moet je er snel bij zijn, wil je het schijfje op de kop tikken. Heftige underground indierock om de vingers bij af te likken. En een collectief als Honest House verdient je steun. Ben je liefhebber van goede herrie? Kopen dan!

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Foxes in Boxes
* Album: Better beheaded
* Record company: Honest House
* Jaar: 2010
* Track list: Arshavin / Domingo blues / Sonic cities / Super heroes
* Info: Foxes in Boxes speelt 16 april in Belvédère, Namur met Fordamage en Flipo Mancini

© Cutting Edge — 28 Mar 2010
images © Honest House

Link: CD review Foxes in Boxes, ‘Better beheaded’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Casse Brique, ‘Glumor’

maart 29, 2010

Doeltreffende, eigenwijze post-math-rock

Casse Brique uit Brussel maakt sinds het ontstaan in 2007 een charmante vorm van post-math-rock, gebracht met alleen een drumstel en een gitaar en/of bas. Het experimentele rockduo is net aangetrokken door het Luikse (independent label) Honest House collectief, waar Foxes in Boxes (zie ook de review van hun eerste EP ‘Better beheaded’ bij CuttingEdge) tevens onlangs onderdak heeft gevonden. Het album ‘Glumor’ is het eerste wapenfeit.

Het instrumentale tweetal levert een geraffineerde, maar zeer doeltreffende en eigenwijze combinatie van math-rock, postrock en experiment. Een massief geluid met een live gevoel, pakkend groovy, zonder de melodie los te laten en met een gedreven, ritmische impact.

De tien tracks worden opgebouwd met kundige en geduldige zelfbeheersing. De baslijnen zijn soepel en vingervlug, de gitaar riffs imposant, dissonant en verhalend en de drums ritmisch en knallend. Breaks worden strategisch geplaatst om het geheel lucht te geven en er wordt gelooped om het rockeffect en de broeierigheid te vergroten. De instrumenten zijn perfect met elkaar in balans en zoeken constant de dialoog met elkaar op.

De meeste tracks zijn kort (onder de drie minuten of zelfs net iets meer dan twee minuten). Daardoor houdt Casse Brique de vaart erin. Ook in een langer nummer, zoals afsluiter ‘Général sparky’, wordt de kern stevig vastgehouden. De inhoud is rijk, goed uitgedacht en zonder echte excessen spannend. Het gaat tegen elkaar in, hobbelt achter elkaar aan, smelt samen en de schwung wordt behouden. De twee willen hier en daar wel heel even uit de bocht vliegen richting een wilde uitbarsting. Toch blijft de rust, de melodielijn en het filmische karakter in de tracks overheersen.

Het is een plaatje vol intelligente songs die ondanks de minimalistische instrumentele invulling niet teveel op elkaar lijken, maar juist een eenheid vormen. De samenhang zit in de aandacht voor de kleine details, zonder te verdwalen in te veel of te lang, te moeilijk of te groots. Een bekende valkuil voor math-rock adepten, handig en knap ontweken door Casse Brique.

‘Glumor’ biedt niets heel erg nieuws onder de zon. Het is een lekker schijfje met een eigen smoelwerk en een heerlijke, live vast retestrakke uitvoering. Fans van Chevreuil, Honey for Petzi of Shellac en Slint vinden deze plaat zeker interessant.

CuttingEdge SCORE: 3 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

Details // CD:

* Band: Casse Brique
* Album: Glumor
* Record company: Honest House
* Jaar: 2010
* Track list: Kway / -12 Newton / Réveil matin / Marcel larsen / Or ahx / Rideau disco / Flip flap / M. torloting a de la salade sur son t-shirt / Rixopréau / Général sparky
* Info: Casse Brique speelt op 8 april in Cheminot, Mons / 24 april in Century Rock, Mouscron / 7 mei in Taverne du Théâtre, La Louvière

© Cutting Edge — 28 Mar 2010
images © Honest House

Link: CD review Casse Brique, ‘Glumor’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Extra Life – ‘Made flesh’

maart 21, 2010

Technische precisie en verrassende inventiviteit

Extra Life uit Brooklyn is niet zo maar een telg uit die overlopende avant-garde muziekscene. Leider van de experimentele groep is namelijk gitarist/zanger/componist Charlie Looker, zeer bekend van het legendarische ensemble Zs en samenwerkingen met onder meer Dirty Projectors en Glenn Branca. In 2006 als soloproject opgestart en in ’07 uitgegroeid tot band wist Extra Life een schare underground fans aan zich te binden met het goed ontvangen debuut ‘Secular works’ (2009).

Voor opvolger ‘Made flesh’ omringde Looker zich met violist Caley Monahon-Ward (Snowblink), bassist Anthony Gedrich (Stats, Ocrilim), drummer/percussionist Nicholas Podgurski (Yukon) en tenorsaxofonist/toetsenist Travist Laplante (Little Women). Hoewel de muziek die Looker met Extra Life maakt wat van de weerbarstige instrumentale abstractie van zijn Zs-werk vasthoudt, gaat het meer richting ‘melodieuze songs’.

Elementen uit middeleeuwse muziek en gezang, neofolk, metal en hardcore, abstract modernisme, weelderige kamerpop en hoekige experimenten worden kundig samengesmeed. Met Lookers unieke stemgeluid dat klinkt als een soort Robert Wyatt-meets-Tool-meets-Morrissey, bijzondere zanglijnen en zijn weirde teksten als centrale factoren. Alle acht tracks werken samen als een geheel. De composities zijn veelal episch, complex en agressief maar er waart ook een persoonlijke en dramatische geest rond. Donker en heavy.

De galopperende dramatiek in ‘Voluptuous life’ dendert je oren in en pakt de essentie van het vijftal in twee minuten samen. Nerveus gitaarwerk, opstuwende en opdringerige synths en heldere maar op afstand blijvende vocalen stapelen zich op tot een symfonische aanval. In ‘The ladder’ komen punk en progrock samen door brutale, vervormde gitaren en hamerende beats met ingewikkelde, gesegmenteerde passages te laten botsen. De ballad ‘Black hoodie’ is een mooi rustmomentje met een zachtaardige saxofoon, akoestisch gitaargepingel en fragiele, intense vocalen. Dit nummer toont aan dat Looker een sterke componist is, ook als hij al dat geweld en de klaagzang loslaat.

‘Made flesh’ is één groot sonisch avontuur met als grote klapper de elf minuten durende monsterafsluiter ‘The body is true’. Extra Life maakt het de luisteraar niet bepaald gemakkelijk, maar het is zonder twijfel een erg origineel album. Het excentrieke geesteskind van Charlie Looker kleurt buiten de standaardlijntjes met technische precisie en verrassende inventiviteit. Voor de liefhebbers zeker een hoogtepuntje. Ben je echter geen fan van dit genre dan vind je het ab-so-luut verschrikkelijk.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band:
Extra Life
* Album: ‘Made flesh’
* Record company: LOAF Recordings
* Jaar: 2010
* Track list: Voluptuous life / The ladder / Made flesh / One of your whores / Easter / Black hoodie / Head shrinker / The body is true
* Info: Extra Life, 11 juni, Het Poortgebouw Rotterdam

© Cutting Edge — 21 Mar 2010
images © LOAF Recordings/African Tape!

Link: CD review Extra Life, ‘Made flesh’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Aaron Martin – ‘Worried about the fire’

maart 17, 2010

Onaards mooi

Aaron Martin is een experimentele, Australische multi-instrumentalist die in Kansas resideert. Hij bedacht ‘Worried about the fire’ aanvankelijk als soundtrack bij een korte film. Voor deze vierde soloplaat besloot hij die bestaande geluidopnames, afkomstig uit eerdere samenwerkingen of uit solo-uitvoeringen, te manipuleren tot iets nieuws. Daarvoor week hij af van zijn kenmerkende live-benadering, maar gebruikte hij electronic processing en effecten. Zijn hoofdinstrument cello, maar ook banjo, harmonica en orgel knipte en plakte hij er aanvullend bij en over, tot hij 12 stukken had.

Elke track is vrij kort en spaarzaam qua geluiden, maar omdat die oorspronkelijk echt zijn ingespeeld is er toch een soort natuurlijk element in de meanderende abstractie. In de verte klinken ze ook nog wel als akoestische instrumenten, maar de warmte ontbreekt. Dat ligt tevens aan de wat holle productie. Vaak ademen de tracks een donkere, melancholieke ambiance uit (dronende opener ‘Albee’ of ‘Blue light’), hier en daar voelt het wat ongemakkelijk (de bibberende violen in ‘New Brighton’) en af en toe sluipen er rustgevende, bijna hypnotiserende momenten in (de cymbalen en zingende zaag in ‘Ice melts onto fingers’).

Uitleggen hoe Martin’s organische soundsculpturen precies in elkaar steken is onbegonnen werk. Ze liggen ergens tussen neoklassiek, folk en avontuurlijk experiment. Denk aan Machinefabriek (waar hij al eens mee werkte) of Richard Skelton. Het gaat dan ook veel meer om hoe hij knutselt en mengt om je langzaam en verleidelijk zijn bijzondere klankwereldje in te lokken.

Aaron Martin verstaat de kunst iets ongrijpbaars te brouwen, muziek die niet echt te vatten is, maar je wel gaat en blijft boeien. Vaak vervallen dit soort klanktapijten toch tot een leuk behangetje, maar ‘Worried about the fire’ blijft intrigerend de aandacht vragen. Lastig pinpointen waarom, het is gewoon zo. Knap plaatje dit. Van een onaardse pracht zelfs.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band: Aaron Martin
* Album: ‘Worried about the fire’
* Record company: Experimedia
* Jaar: 2010
* Track list: Albee / Ice melts onto fingers / Open knife / New brighton / Water tongue / Wires of glass / Reed tunnel / Marked in dust / Blue light / Beaver falls / Making rope out of eyelashes / Sixth

© Cutting Edge — 17 Mar 2010
images © Experimedia

Link: CD review Aaron Martin, ‘Worried about the fire’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Broken Bells – ‘Broken bells’

maart 15, 2010

Filmische, zomerse poppy trip

Broken Bells is het nieuwe muzikale vehikel van gitarist/zanger James Mercer van indie pop band The Shins en productioneel genie Brian Joseph Burton a.k.a. Danger Mouse. Deze fameuze Amerikanen besloten tot een samenwerking nadat ze elkaar in 2004 tegen het lijf liepen bij het Deense Roskilde festival. Er werden zo’n 20 tracks geschreven en in 2008 opgenomen (Mercer vocalen, gitaar, bas en Burton op toetsen, drums, bas), waarvan de tien best bij elkaar passende op het debuutalbum ‘Broken bells’ zijn beland.

Het oogt altijd zo mooi, een indie supergroep. Burton die vanaf zijn briljante mashup ‘The grey album’, als producer van albums van Damon Albarn’s Gorillaz en The Good, The Bad & The Queen, Beck en Black Keys plus als multi-instrumentalist als de ene helft van Gnarls Barkley en Dangerdoom opzien baarde. En Mercer, The Shins-frontman en singer-songwriter wiens prachtplaten bolstaand van schitterende melodieën en hemelse zanglijnen ons niet onberoerd hebben gelaten. Als je die individuele krachten bundelt moet dat toch wel iets bijzonders opleveren.

Het album klinkt zoals je vooraf zou denken, als een glorieuze samensmelting van de sterke kanten van beide heren. Gooi Gnarls Barkley en The Shins in de blender en hoppa, dan krijg je de cocktail ‘Broken bells’. Burton legt veelal een swingende basis met fraaie samples en beats, (jaren ’60) orgeltjes, fijne pianoriedeltjes, luchtige trompetten, aanvullende gitaarakkoorden, zweverige strijkers (van de Italiaanse componist Daniele Luppi), handclaps, een (lalala-)koortje terwijl Mercer er zijn kenmerkende emotievolle, intense stem en melodieuze lijn overheen drapeert. Hoewel Burton toch een beetje de overhand heeft – in ‘The ghost inside’ met een falset vocaal van Mercer horen we wel erg veel Gnarls en Gorillaz terug – is er merendeels sprake van een goede balans tussen beiden.

Er waart een hele relaxte, warme vibe rond. Zonder opdringerig te worden dwarrelen de tien filmische, poppy songs voorbij. Dat tot in de puntjes perfect producen kun je natuurlijk aan Burton overlaten. Overigens heb je meerdere draaibeurten nodig om alle subtiele, verrassende invullingen volledig op je in te laten werken. Het album is een tamelijk veelzijdige, prettige popplaat die je laat wegdromen in een zomers zonnetje. Het is geen ultiem hoogtepunt in hun beider nalatenschap, maar wel een erg tof en welkom uitstapje. Broken Bells hoeft zich zeker niet te schamen, mocht het bij dit album blijven.

CuttingEdge SCORE: 4 van de 5 sterren

Monique van den Boogaard

DETAILS // CD:

* Band: Broken Bells
* Album: ‘Broken bells’
* Record company: Sony Music
* Jaar: 2010
* Track list: The high road / Vaporize / Your head is on fire / The ghost inside / Sailing to nowhere / Trap doors / Citizen / October / Mongrel heart / The mall and misery

© Cutting Edge — 14 Mar 2010
images © Columbia/Sony Music

Link: CD review Broken Bells, ‘Broken Bells’ (2010) bij CuttingEdge.nl

Recensie: Malcolm Middleton – Waxing Gibbous

juni 30, 2009

malcolmmiddleton_waxgbkelmSoms hoef je niet rouwig te zijn als één van je favo bandjes uit elkaar valt, want het kan vaak resulteren in de opstanding van een paar nieuwe, sprankelende acts voor de prijs van één. Uiteraard werkte dat niet zo voor bijvoorbeeld The Libertines, maar uit het as van de Delgados kwamen zowel Emma Pollock als Alun Woodward (als Lord Cut-Glass) sterk naar voren met prima soloplaten. Zo ook bij het Schotse Arab Strap. Toen het Falkirk duo in 2006 gracieus maar een beetje mopperend afscheid van ons nam, was het bijna een gegeven dat tekstschrijver Aidan Moffat in zijn eentje genoeg te zeggen zou hebben. Inmiddels bewandelt hij zijn solopad dan ook succesvol. Maar zijn voormalige sidekick Malcolm Middleton is verworden tot een bitterzoete, eigenaardige songsmit met een cult reputatie gedurende de vier – en met ‘Waxing Gibbous’ vijf – solo albums die hij sindsdien uitbracht.

Maar de man heeft ons inziens een grote gave: om contrasten met gemak aan elkaar te verbinden. Hij pent over ‘the usual shite’ – doodnormale en mindere leuke zaken des levens – echter doet dat met gruwelijk depri teksten vol droog cynisme. Die treffende, weemoedige lyrics zijn dan weer verpakt in een laconiek muzikaal dekentje. Een vaak vrolijke omlijsting houdt zijn melancholieke songs prima behapbaar. Een goed voorbeeld van dat kunstje is zijn kerstsingle (compleet met dakloze kerstman in de videoclip) genaamd ‘We’re All Going to Die (Alone)’ uit 2007. Hij bereikte met dat ‘blije liedje’ per ongeluk bijna de eerste plek in de hitlijst. Maar ook op ‘Waxing Gibbous’ – de titel verwijst naar de maanfase voor volle maan en is optimistisch bedoeld – kan hij er weer wat van.

Vurige en melodieus florerende indiefolk liedjes, die comfortabel tussen het meer uptempo (zoals de aanstekelijke single ‘Red Travellin’ Socks, waarin Malcolm nog nooit eerder zo happy klonk), het tragere introspectieve (‘Carry Me’ bestaat voornamelijk uit een rouwige monoloog met trieste cello en is een mistroostige ode aan een kindertijd toen de toekomst nog veelbelovend leek en in ‘Box & Knife’ met donkere electro en ambient soundscapes klinkt hij nogal suïcidaal) en alles ertussen (‘Kiss The Station’ is een levendige, prettige ballad met een geïnspireerde midden sectie en vocale begeleiding) zweven. De electronische beats die her en der zijn ingezet (‘Zero’) voelen soms wat misplaatst aan.

Alleen in ‘Made Up Your Mind’ horen we Middleton volledig akoestisch met zijn verhalende monotone stem en dat blijft toch zijn beste pak om aan te trekken. Al kreeg Malcolm voor deze plaat levendige bijval van Arab Strap-lid Jenny Reeve en King Creosote (aka Kenny Anderson) voor schitterende backing vocalen, terwijl Barry Burns, één van de postrockgoeroes van Mogwai, hier en daar heel fijn aanvult met zijn sferisch gepluk. ‘Ballad Of Fuck All’ is ondertussen het ultieme nummer waar de singer-songwriter al die jaren naartoe lijkt te hebben gewerkt.

Dat is dan een mooi gegeven, want Middleton heeft laten weten dat hij voorlopig het leven als soloartiest achter zich wil laten en het hoog tijd vindt voor iets anders. Met deze laatste bedachtzame, charmante, somber-vrolijke en grappige plaat sluit hij zijn solo oeuvre dus af. Laten we hopen dat Malcolm iets anders vindt, iets instrumentaals of een nieuwe band met strijkorkest, want we genieten altijd zo van zijn input. Misschien moet hij zijn gediscontinueerde serie girlband covers weer oppakken. Maar laat hem niet stoppen, want we zouden hem schromelijk missen.

‘Waxing Gibbous’ is een soundtrack voor een luie, grijze Schotse dag en er valt toch nog wat te glimlachen. Zoals die wrang lachende, moeilijk kijkende maan op de hoes…

SPINNER SCORE: 79/100

Recensie: Graham Coxon – The Spinning Top

juni 27, 2009

grahamcoxon_spinningtophskTerwijl Blur de Britse podia voor het eerst in vele jaren weer afschuimt, komt gitarist/multi-instrumentalist Graham Coxon met zijn nieuwe solo album ‘The Spinning Top’. Zijn inmiddels zevende schijf is naast een echt conceptalbum – 15 songs over het leven van een man vanaf de geboorte tot aan zijn dood – ook een merendeels erg ingetogen plaatje geworden. Veel meer met een folk inslag dan we van hem gewend zijn, want op eerdere werkjes als ‘Happiness In Magazines’ en ‘Love Travels At Illegal Speeds’ was het toch vooral rock wat de klok sloeg.

Weg zijn die schreeuwerige, schokkerige gitaar en punkriffs. Coxon ging op zoek naar zijn tedere kant. En toch is het een rijk plaatje. Dat komt niet zozeer door een uitbundige of uitgebreide instrumentatie, want de basis is eenvoudig weg akoestische gitaar en Coxons speelse, wat nasale en wankele zanglijnen met wat wiegende piano of andere gevoelige invullingen, maar eigenlijk alleen maar door Grahams fenomenale speel technieken. Vooral dat ingewikkelde ‘fingerpicking’ – check vooral het charmante ‘In The Morning’ – geeft de songs wat bijzonders. Daarmee herinnert hij aan de legendarische Bert Jansch.

Neem bijvoorbeeld ‘Feel Alright’, compleet met zijn ‘ba ba ba’ refrein en piano, dat is folk op zijn catchiest. Op ‘Look Into The Light’ lijkt Coxon de wedergeboorte van de fragiele Nick Drake. In ‘Sorrow’s Army’ komt dezelfde spaghetti western vibe terug als bij The Coral en The Zutons en Coxon eindigt op dramatische toon met ‘November’, met sfeervolle, minimale accordeon en gitaarklanken en een prachtig staaltje samenzang.

Slechts vijf tracks vallen buiten de folkboot: zoals het overwegend subtiele, vroege Super Furry Animals-eske popliedje ‘If You Want Me’ waarin plots wat ruiger, fuzzy gerockt wordt, het lekkere swamprockerige, broeierige nummer ‘Dead Bees’ of met calypso percussie gelardeerde ‘Perfect Love’ in de lijn van jaren zestig held Arthur Lee’s ‘Love’.

De eerdere kritiek op zijn wat simplistische teksten, heeft Coxon zich kennelijk aangetrokken. Hij verhaalt hier wel haast literair verantwoord over de liefde, het leven en het overlijden van een mannelijk hoofdpersoon. Al lukt het nog lang niet overal om tot introspectieve zielenroersels te komen zoals Bob Dylan of Drake kunnen (in ‘Perfect Love’ dweilt hij “I met you and you met me/ We sang in perfect harmony”). Zou Coxon misschien last hebben van een midlife crisis?

Onverwachts is een passend woord om ‘The Spinning Top’ mee aan te duiden. Zo verschillend van zijn andere platen en ook op de schijf zelf gaat het best veel kanten op binnen zijn gelegde folky muzikale kader. Het zal niet het ‘kopje thee’ zijn voor elke vroege Coxon fan, maar het is toch zeker wel één van zijn aardigste solo albums tot nu toe. Al willen niet alle songs in de bol blijven haken.

SPINNER SCORE: 78/100

Recensie: Patrick Watson – Wooden Arms

juni 21, 2009

patrickwatson_woodenarmsHoewel de Canadese singer-songwriter, zanger en pianist zich op zijn derde album Patrick Watson & The Wooden Arms noemt – met naast hem gitarist Simon Angell, drummer Robbie Kuster en bassist Mishka Stein – is er niet al te veel veranderd. Eigenlijk begint ‘Wooden Arms’ gewoon waar de bejubelde voorganger en zijn doorbraakplaat ‘Close To Paradise’ ophield. Vond je het destijds als te veel van het goeie, met al die opsmuk en geluids tierlantijntjes, dan laat deze maar liggen. Maar voor wie dat goed smaakte is hier een nieuw muzikaal avontuur in de vorm van ‘Wooden Arms’, waarvoor Watson en co meer instrumenten dan ooit hebben aangesleept.

Watson gooit nog een extra schepje op zijn uitbundige popsongs met klassieke en indierock invloeden. Maar dat uitgebreide, rijke instrumentarium – veel violen, een arsenaal aan tegendraadse huis-tuin-en-keuken percussie, banjo, djembé, allerlei getingel en wat al niet meer – ligt er niet altijd dik boven op. Watson weet het toch vaak intiem en persoonlijk te houden met subtiele, dromerige arrangementen. De minitieus neergelegde details vallen pas ècht op als je de oren dicht op de speakers drukt. Moet je trouwens wel mee opletten, want er komt ook onverwachts wat noise tussendoor of een nummer wordt op een andere manier, hoewel ingewikkeld nog steeds elegant en delicaat, opgebroken.

Het wonderschone popnummer ‘Big Bird In A Small Cage’ is zonder meer de hoogvlieger op ‘Wooden Arms’ en schaart zich onder de beste songs die iemand als Sufjan Stevens ook pent, met bijval van een tokkelende banjo en breekbare vrouwelijke vocalen van gastzangeres Katie Moore. Daar staat een soort aan Tom Waits denkende, potten-en-pannen percussie gedreven, wat duistere track als ‘Machinery Of The Heavens’ tegenover. Iets heel anders, maar toch even indrukwekkend, vooral door Watsons onschuldig, ijl klinkende zang.

In sprankelende, akoestische folksong ‘Man Like You’ herinnert hij prettig aan Nick Drake en Elliot Smith en ook op de wiegende pianowals ‘Wooden Arms’ drijft je in gedachten ver weg van hier. Net als op het schitterende ‘Fireweed’, dat in IJsland is opgenomen en dus een gevoel van eenzaamheid herbergt. Echter ook onrust waart rond. Luister maar eens naar het filmische ‘Beijing’ met die opgejaagde pianopartijen (met fietsen erin verwerkt). De twee instrumentals, zijn wat ons betreft de wat mindere songs op ‘Wooden Arms’. ‘Down At The Beach’ is dan wel spannend, maar dat effect over zijn prachtige, emotievolle stem irriteert.

Of deze plaat Watson en zijn Wooden Arms nou bij wijze van de Top 40 in gaat helpen, betwijfelen we ten zeerste. Zo toegankelijk is het niet. Je moet het even op je in laten werken, al zijn er tevens wat bloedstollende momenten die je meteen bij de keel grijpen. Hij toont juist veel meer zijn experimentele kant, waardoor hij abstracter en gekunstelder overkomt, wat vast niet al te goed valt bij de doorgaanse mainstream meute. De liefhebbers van Watson kunnen echter een vreugdesprongetje maken, want ik vreet mijn schoenzool op als zij deze schijf niet totaal diggen. Een begeesterende, fantasievolle trip, die je het beste in zijn geheel tot je neemt.

SPINNER SCORE: 84/100 
 
 

 
 
 

Recensie: The High Strung – Ode To The Inverse Of The Dude

juni 20, 2009

thehighstrung_odeThe High Strung uit Detroit heeft al een lange muzikale weg bewandeld. Hun debuutalbum ‘These Are Good Times’ was een rommelige, luide en af en toe onaangename maar tegelijkertijd coole luisterervaring. Het leek wel of de essentie van de rebelse tiener garagerock geest op een plaat was samengepakt. Het destijdse viertal verloor een bandlid en had als trio wat moeite om hun veel slappere opvolger ‘Moxie Bravo’ de deur uit te krijgen. Gelukkig kwamen de drie terecht bij het bluesy, hippie labeltje Park The Van Records. De derde schijf ‘Get The Guests’ was het ook niet helemaal, hoewel al veel beter, maar op deze nieuwe plaat blijkt The High Strung zich eindelijk volledig hervonden te hebben.

Dat is mede te danken aan de sturende inspanningen van de producer. ‘Ode To The Inverse Of The Dude’ werd net buiten Toronto opgenomen met hete knoppen wizard David Newfield (Broken Social Scene, Los Campesinos!, Super Furry Animals). ‘Ode’ combineert dromerige geluiden en (de psyche onder)zoekende teksten met de grootsheid van een rockband, al zijn de rockinvloeden nu wat verder naar de achtergrond geschoven om hun wonderschone folkpop zijde wat meer te tonen. Het ene moment klinken er gepolijste, sprankelende en zonnige alt.pop songs, het andere moment lievige, lo-fi popliedjes (als ‘Anyone’).

Gitarist/zanger Josh Malerman heeft een paar van zijn meest persoonlijke songs geschreven (check ‘I Got Your Back’ en ‘Rope’), in ‘Out Of Character’, in ‘Guilt Is How I’m Built’ waart de oude Motown soul rond en er wordt afgesloten met een all over the place soort van eclectisch instrumentaaltje in de vorm van ‘House Party’. Maar niet alleen Malerman is qua songwriten goed bezig, de ritme sectie (Chad Stocker en Derek Berk) demonstreert hoe een drum en bas duo het pittig en groovy moet houden zonder opgefokt of haastig aan te horen. De eerlijke levendige emoties, de zweetdruppels en de tranen van geluk die het maken van ‘Ode’ ongetwijfeld gekost hebben zijn voelbaar in de nummers.

De liedjes komen nonchalant over, maar zijn uitgedachte, pure en melodieuze songstructuren. De uitbundige blijheid die de Flaming Lips ook tentoonspreidt komt het duidelijkst naar voren in hoogtepunt ‘Standing At The Door Of Self Discovery’, de hoekige gitaarlijnen met psychedelische intermezzos doen denken aan Built To Spill en de harmonieuze samenzang van de drie zou Teenage Fanclub aardig jaloers maken.

Omdat het zo mooi samensmelt, door de warme sound en onderliggende tederheid in elke compact gehouden track (geen een gaat over de 3 minuut 30) en dat toegankelijke kan ‘Ode’ zo maar aan je oren voorbij trekken. Maar dat zou niet eerlijk zijn, om dit album af te doen als een vrolijk niemandalletje, want The High Strung verdient simpelweg de aandacht. Het is hun meest uitgebreide en experimentele album tot nu toe en zet zelfs hun twee voorgaande platen in een ander daglicht. Ineens vat je de aanloop naar ‘Ode’ en waardeer je die ook veel meer. Een tof plaatje voor liefhebbers van T. Rex, Guided By Voices en bovenal Of Montreal.

SPINNER SCORE: 79/100
 

Recensie: Various – Brand NEU!

juni 10, 2009

brandneukHet is dan wel 30 jaar geleden dat de mannen van NEU! tot de ‘Godfathers van de Krautrock’ werden bestempeld, maar hun invloed geldt nog steeds erg sterk. Tenminste, dat is wat de compilatie ‘Brand NEU!’ probeert te bewijzen. Een overvloed aan artiesten meldde zich aan voor geen coveralbum, maar een plaat vol songs die nadrukkelijk zijn geïnspireerd door de Germaanse legendes. En dat verschil is nou precies wat de verzamelaar – de eerste voor nieuw label Feraltone Recordsredt, in plaats van dat het weer één van de zoveelste algemene vieringen van hun imponerende oeuvre is.

Tegenwoordig is het meer dan hip om te stoeien met electro en ambient, maar dat lag in de jaren ’70 – toen Michael Rother en Klaus Dinger zich afsplitsten van Kraftwerk en zich stortten op het uitbrengen van het spannendste muzikale spul wat in die tijd èn wellicht nu nog steeds uit Duitsland voortkwam – echt niet zo voor de hand als nowadays. Daarmee beïnvloedden ze bands van Radiohead tot Blur tot Joy Division en muzikanten als John Frusciante tot David Bowie, en alles wat daar tussen hangt.

Het is dan ook niet wonderlijk dat de internationale, diverse gastenlijst van artiesten die wilden meewerken aan het tribute project er eentje is met iconen. Songs van de oudere garde, waaronder Sonic Youth, Oasis, Primal Scream, LCD Soundsystem en de nieuwe lichting als Foals, Fujiya & Miyagi, School Of Seven Bells zijn schouder aan schouder verenigd op de plaat, die tevens twee (afsluitende) coole tracks van wijlen drummer Dinger (zijn allerlaatste, unieke en rauwe opname als La Duesseldorf, ‘Sketch 1_08’) en gitarist/zanger Rother (het nooit eerder verschenen,elegante ‘Neutronics 98’) zelf bevat. En iedereen doet zijn ding voor dit NEU!-feestje. Dan krijg je een behoorlijk gevarieerd maar consistent, prima album.

Onder de toptracks vallen de nummers van Foals (het monotoon, poppy b-kantje ‘Titan Arum’), Hook & The Twin (‘They’ll Get Your Head’), Fujiya & Miyagis uitwaaiierende ‘Electro Karaoke’ en Pets With Pets (‘We Only Found This Place’). We lazen ergens dat Benjamin Curtis van School Of Seven Bells vindt dat ‘iedereen in de muziek in de individuele schaduws van NEU! leeft’, dus misschien is dat een reden dat hun (en het enige zwaar exclusieve op de cd) slepende, opbouwende nummer ‘Device Fuer M’ zo met kop en schouders boven de rest uit toornt.

De prijs voor meest wazige en dubieuze bijdrage is Ciccone Youths track ‘Two Cool Rock Chicks Listening To NEU!’, een rammelend zooitje ongeregeld, dat er ogenschijnlijk alleen maar op staat omdat de bandnaam valt. Gelukkig is het de opener, want na een amusante keer heb je dat wel gehoord en mag er geskipt worden naar één van de andere 11 songs. Elf ja, want Oasis‘ ‘I Can See It Now’ is tevens een flauwe smijt-maar-aan-de-kant jam en Kasabians disco-achtige, swingende ‘Stuntman’ is geheel misplaatst gekozen. Dan had je beter iets van de laatste The Horrors plaat ‘Primary Colours’ kunnen nemen.

Maar laten we eerlijk zijn, er is niemand die de meesters echt weet te overtreffen. Het origineel is niet te imiteren. Dat komt eigenlijk het meest naar voren na beluistering van ‘Brand NEU!. Het is daarentegen een leuk schijfje voor al diegenen die nog nooit van de goeroes gehoord hadden en je krijgt zo een aardige, toffe staalkaart van hun verreikende invloed. Plus wat zeldzaam, onuitgebracht materiaal dat een doorgewinterde fan zeker nog niet in zijn bezit had. Check wat tracks op de speciale MySpace pagina.

SPINNER SCORE: 69/100

Recensie: Sonic Youth – The Eternal

juni 8, 2009

sonicyouth_eternalhskSonic Youth is na twee decennia weer terug onder de vleugel van een independent, Matador Records. Niet dat het op zich zo veel uitmaakt, afgezien van het feit dat we de afgelopen maanden flink gekieteld werden met previews op en nieuws over ‘The Eternal’. Het enthousiasme voor hun 16e plaat werd vakkundig gekweekt, maar die veroorzaakte opwinding blijkt ook aardig terecht. Waren de voorgaande paar albums en bovenal de laatst verschenen ‘Rather Ripped’ wat nettere, poppiër platen; Sonic Youth heeft sinds ‘Washing Machine’ niet meer zo ouderwets genoiserock-punk-‘n’-rollt als op deze schijf.

Dat melodieuze wordt niet losgelaten, maar er wordt fiks teruggegrepen op de oudere eind jaren ’80, begin ’90 sound: de rommelige, punkerige rockkant die we eigenlijk al een tijdje misten bij de New Yorkers (en wel te vinden is op Thurston Moore’s soloplaat ‘Psychic Hearts’). Een aantal van de nieuwe nummers had zo maar op een van hun betere albums ‘Goo’ kunnen staan (zoals eerste voorproefje en erin knallende opener ‘Sacred Trickster’). Sonic Youth klinkt op één of andere manier ongekend fris en weer eens echt geïnspireerd, uptempo en energiek.

Dat Mark Ibold (ex-Pavement, eerder met Kim Gordon in Free Kitten en vaste SY-tourmaat sinds Jim O’Rourke vertrok in 2007) de bas om heeft gehangen, maakt al verschil (in ‘Calming The Snake’ bijv. zo eenvoudig maar wel zwaar doeltreffend). Daarbij is het tevens voor het eerst dat Kim, Thurston en Lee (Ranaldo) af en toe ook gezamenlijk de vocalen voor hun rekening nemen (wat zinderend werkt in ‘What We Know’).

Het fantastische gitaarvlechtwerk van de heren Thurston en Lee is opnieuw wat meer naar de voorgrond geschoven (heeeeerlijk in ‘No Way’) en het dit keer vaker recht toe recht aan drumwerk van Steven Shelley een keiharde basis voor noisy rock ‘n’ roll (de eerste helft van ‘The Eternal’) en psychedelische, experimentele uitwaaiieringen (meer de tweede helft) van weleer. Kim speelt vocaal een grotere rol dan echtgenoot Moore en Lee, maar de onderhand 55-jarige dame hoort tegelijk jeugdig als – zoals gewend – sleazy en geil as hell aan.

De gitaren in ‘Thunderclap For Bobby Pyn’ (een hommage aan The Germs‘ punkpionier Darby Crash) schuren als rauwe zandkorrels tegen elkander en de ‘wow wows’ en ‘yeah yeahs’ maken vrolijk gestemd, ‘Anti-Orgasm’ heeft een geniale openingsriff en knarst en piept als vanouds en ‘Poison Arrow’ neigt naar The Velvet Underground-eske praktijken.

De hoogtepunten zijn de door Thurston gezongen, subtiele ballade ‘Antenna’, Kim Gordon’s catchy ‘Malibu Gas Station’ (een referentie naar een Britney Spears-incident) en het bedwelmende ‘Walkin’ Blue’ schaart zich onder de beste songs die gitarist Ranaldo in jaren heeft gepend. De iconen laten ons achter met een vintage SY-gevoel op het niveau van ‘Diamond Sea’. ‘Massage The History’ is zo’n hypnotiserend, dromerig en majestueus nummer dat tot in de eeuwigheid door had mogen gaan. We verheugen ons nu al op die vast ellenlange, spetterende live versie.

Sonic Youth blijft zich binnen de zelf gelegde paden opnieuw uitvinden, vertrouwd eigenwijs en klinkt nergens gedateerd. Ze zijn altijd een voorbeeld geweest en dat blijven ze. Tuurlijk is hun stijl bekend en hoefde je geen enorm sterke koersverandering te verwachten. ‘The Eternal’ is echter wèl een minitieus geconstrueerde synthese van meer dan 28 jaar Sonic Youth en consistenter qua kwaliteit dan een aantal eerdere schijven. Hier geen enkel albumvullertje, behalve dat ‘Leaky Lifeboat’ alleen ‘charmant’ is.

Op het eerste gehoor denk je dat het allemaal te simpel in elkaar steekt, omdat het gewoon meteen lekker en redelijk toegankelijk in de oortjes valt. Maar je moet ‘The Eternal’ (overigens opgedragen aan wijlen The Stooges-gitarist Ron Asheton) laten groeien met luisterbeurten (liefst op dikke plakken vinyl) en dan blijkt dat diverse van de 12 prachtsongs ineens regelmatig ongevraagd in het hoofd opdoemen. ‘The Eternal’ is spannend èn relevant en bewijst nogmaals hoe uniek en krachtig hun sound is. Een stukje opwinding in een schitterende schilderij hoes van folkgitarist John Fahey.

SPINNER SCORE: 89/100

Recensie: Eels – Hombre Lobo: 12 Songs Of Desire

juni 6, 2009

eels_hombrelobohskWe hebben altijd een beetje medelijden gehad met Amerikaanse singer-songwriter Mark Oliver Everett aka E aka Eels. De rampspoed die hem zijn hele leven al achtervolgt, dat doe je geen mens aan. Al zijn familieleden overleden aan oftewel zelfmoord, kanker, depressie, verslaving of zelfs een terroristische aanslag. Gelukkig heeft E die bizarre shit weten te verwerken en zag hij zijn muziek en de band Eels immer als de beste methode om die ellende achter zich te kunnen laten. Op voorganger en voorlopig sluitstuk van de zes Eels albums, ´Blinking Lights And Other Reveleations´ (2005), pakte hij het eigenlijk allemaal samen. Zijn hele leven in songs vertaald.

Daarna volgden nog de schitterende live plaat ´Live At Town Hall´, de documentaire ´Parallel Worlds, Parallel Lives´ en de, zeer de moeite waard zijnde, biografie ´Things The Grandchildren Should Know´. Daarmee leek zijn rampenperiode definitief afgesloten. We waren dus een beetje bang dat Eels die monsterlijke tegenslagen nodig had om die prachtige, bezielde songs te schrijven.

Dus hoe is die 40 minuten en een beetje durende eerste collectie van nieuw songmateriaal in vier jaar tijd? Nou, om meteen helder te zijn: ´Blinking Lights´ overtreffen doet E niet. Dat is dan ook een immense taak, want die plaat was wel zo mooi. We noemen hem niet voor niets De Moeder Der Eels platen en de beste schijf sinds ´Electro-Shock Blues´ uit ´98. Het was een soort uitgebreide Gids Van Alles Wat Eels Is, zijn tekstuele en muzikale thema´s van alle kanten bekeken.

De angst verdween met een eerste luisterbeurt van single ´Fresh Blood´ en later heel ´Hombro Lobo: 12 Songs Of Desire´ als sneeuw voor de zon. Eels blijkt tegenwoordig op een niveau te functioneren dat hij zijn verschrikkelijke verleden niet meer nodig heeft. Hij kan het ook op basis van zijn flinke baard en zijn huidige, comfortabelere leven. Eels pent simpelweg geen slechte liedjes. Alleen goeie en soms briljante, en dat geldt ook voor deze schijf.

Maar juist daardoor klinkt het alsof hij er zich misschien ook wel iets te gemakkelijk vanaf maakt. Eels lijkt de songs, hoewel oprecht en vanuit de bodem van zijn hart, uit zijn mouw te schudden. Alsof het gemiddeld moeilijke puzzeltjes zijn. E heeft zijn eigen kenmerkende muziekstijl, een afwisselend mengsel van ingetogen, ontroerende en melancholische liedjes en uit de bocht scheurende bluesrockers, en daarbinnen opereert hij. ´Hombo Lobo´ biedt dus op dat gebied niets vernieuwends.

Die opnieuw gekweekte, dikke baard doet niets af aan de frisheid van de nummers. Die zorgt alleen voor de gekozen ´verhaallijn´ – Eels kruipt in de huid van El Hombro Lobo, een weerwolfman die ´s nachts zoekt naar zijn wederhelft, en pakt de thema´s dierlijk instinct en verlangen aan – en misschien ook voor de ruigere songs zoals opener ´Prizefighter´ die aan ´Souljacker´ doen denken (in die tijd was E´s kin kennelijk het zwaarst begroeid).

Het treurige zit gewoon in hem, want 12 songs lang weet hij het intense verlangen naar liefde niet te stillen. Het verslavende, ingetogen ‘That Look You Give That Guy’ is uitmuntend en wat ons betreft een kansmaker op het geweldigste nummer over jaloezie dit jaar. In het hartbrekend zweverige ´All The Beautiful Things´ voel je zijn wanhoop doorstralen, het lawaaiïge ´Tremendous Dynamite´ veroorzaakt kippenvel met overstuurde zang en geschreew van E over wollige, ranzige rockriffs heen, ´The Longing´ herbergt alle pijn en opwinding die desire met zich meebrengt en in ´Beginner´s Luck´ contrasteert het zomerse uptempo gevoel met zijn kansloze smeekbede om een relatie met hem aan te gaan.

Was je al een E-aanhanger, dan blijf je dat met ´Hombro Lobo´ ook gewoon. Een lekkere plaat vol fijne nummers. Maar zoek je naar iets ècht nieuws van Eels, dan hoef je hem niet perse aan te schaffen. ´Hombro Lobo´ vult alleen zijn al zeer aangename oeuvre aan. Maar E heeft het nog steeds. Dat wel.

SPINNER SCORE: 79/100